Rey.
ARnold en ghy Hillegonde
Dat ik nu wat spelen konde
Tot een lust vermaakt en lof
Om u Feeste te vereeren,
'k Sou my als een Switser weeren,
Maar mijn Rietjen is te grof,
Grof, of fijn, 't moetlijckwel klinken,
Ist wat lam soo mach het hinken,
Als mijn slinker voet nu doet,
Doch die is by kans genesen,
't Moet soo inde Werrelt wesen,
Hallef tusschen mal en vroet.
Die hier al de Wijsen prysen,
Die en prijs ik voor geen Wysen,
Werrels Wijsen zijn by Godt
Gansch en al voor nul gerekent,
Want hy heeftse soo getekent,
Voor den Heere zijnse sot.
Die te hoogh ten Hemel zeylen,
Die te diep den Afgront peylen,
Die door kloeckheyt 't Recht verkeert,
Die daar wanen te bedieden,
't Wonder datter sal gheschieden,
Dat zijn Gecken seer geleert.
De Geleerde mogen Rechten.
De Soldat en mogen Vechten,
Ende Campen om den bityt,
En de Kokx de Sausen proeven,
De Studenten mogen schroeven,
'k Houdet met mijn Harders Fluyt.
Daar wil ik me quinkeleeren,
Daar me God den Heer der Heeren
Loven na mijn slechtigheyt,
Die ik bidde, dat u Croone
Onder-stutte, ende toone,
't Paatjender Gerechtigheyt.
Ik wil uwe Namen vlechten,
God wil uwe harten hechten
Met een trouwe Gulden Bant,
Adelaar sal Boetselaartje,
Boetselaar sal Adelaartje
Minnen met een kuysche Brant.