Daar d'een na haakt, Den and'ren laakt.
IK heb den Duytschen Creyts, en hoe 't daar is gheleghen, Ghesien (sprak Fama) en vernomen wel te deghen, Den Sweed' behout het Velt, en gaat heel wacker voor Wat zynder op een kort al duysenden vermoort: Met heeftse eens ghehoest, en willende hernemen Den adem, sachse dat de Musen schier beswemen, De kloekste vanden hoop heeft als een loof ghetrilt, En heefden als de Coorts', soo krank was haar de milt,
Sy waren al te saam besturven als schaarlaken, Men reegh de Borsjes los om in 't fasol te raken, Men sprenkelde met eek, men haalde specery Men brochtet noch soo veer het quam een weynich by: Doe nu een yeder we'er verkreegh sijn oude wesen, Soo isser een van al in evelop-gheresen, En siende over-dwars soo sprakse tot de Faam, Ghy waart ons wellekom, en nu onangenaam, En weet ghy anders niet te kallen als van Kryghen, Soo gaat van daar ghy quaamt, of wilt ten minsten swyghen, Draaght kennis wie wy zyn, en schikt u na den tijt, Gaat krabbet inde aard', en ruyket waar ghy zyt, Hier woont de ware Liefd, Barmherticheyt en Vrede De Wijsheyt, Cuysheyt, en de loffelijke Zede, De milde Dankbaarheyt, Ootmoedicheyt en Eer, De Soberheyt, en noch veel ander deuchden meer, Daar mede satse ne'er, en heeft voort stil ghesweghe[n] Daar teghen rees de Faam, heeft heusselijk gheneghen, En badt vergiffenis indien sy had misdaan, En sprak, 'k en kan u les in 't minst niet tegen-staan, Maar soo het u belieft de gramschap ne'er telegghen, De oorsaak mynner komst wil ik u geren segghen Daar op was da'ntwoort ja, vermits dat ghy u mijt Niet eens te reppen hier van Oorlogh, Moort, of strijt, Dit worde toe-ghestemt, dies met gebloosde wanghen Begon de goede Faam, en heeft dus anghevanghen.
Cookies on Poetry Cove