De vvaarheyt heeft strijt, Die nummer en slijt.
DE klaare Waarheyt en de swart' vermomde Leughen,
Dees' hebben by de Faam het opperste vermeughen,
Maar tusschen dese twee is eenen strijt ontstaan,
Die altijdt is gheweest, en nummer sal vergaan,
Sy kanten teghens een, de waarheyt werdt verschooven
Door een versierde kracht, maar raakt ten lesten boven,
De zeghe blyft by haar sy winnet staach de kans,
Om dat sy is omringht met eene zonne-krans:
In teghendeel, soo komt ghewapent om te kampen
De Leughen, dik bewolkt met bruyne nevel-dampen,
Om-gordet met de huyt van d'alder-eerste Slangh,
Die d'onghebooren mensch' brocht tot den onder-gangh,
Sy spout van veers het slijm en gift der swarte padden,
Om 't reyne witte kleedt des Waarheydts te bekladden,
Dan hoe sy nader komt, hoe minder datse steekt,
Maar d'ed'le Waarheyt treft en door de wolken breekt.