An Steunt of Godt.
NU Nen komt voor den dagh ghy schryver Steunt op Godt, Stelt S in plaat van G soo Steunt ghy op een Sot. Die wijslijk van gelaat maar siende gantsch verblint is, Van wesen stant en gangh gelijk u Moeders kint is, Wat seyt dit Nen Nen Nen, wat ist een besem stok, Want schrobber volchter na, (wat gaater voor 't goet jok) Wat Compost is doch Nen, dat lust ons wel te weten, Wat vremder koft mach 'tzyn, wy hebben 't nooyt gegeten, Ghy Nen 't ons al te veel, u Nen en heeft geen smaak, 'k Wou dat myn Buermans koe kost bulken dese spraak, Hy won dan met het Nen wel seven duysent kroonen, Daar nu u Nen is weert geen halve blaas met boonen, Waar hebt ghy uyt ghesoch het schuymsel vande praat Te Leuven inde School, of in de Lepel-straat, Of daar ghy sijt ghewoon een Tanneken te kusssen, Of daar u Broeder Brandt in liefd' plach brandt te blussen, Of hy, die in 't Francois met Bruyn-ink dapper schrijft, En als een Appel-teef (als ghy) of Ne'er-landts kijft, Hy leert noch, want hy gaat Meester Phoebus schoelen, Die ghy bykans (soo 't schijnt) hebt ziel en lijf bevoolen, Ghy lelt hem an het oor, ghy smeekt en roept hem an, En bidt dat vander Veen mocht raken inden Ban, Steunt ghy of desen Godt die wy int minst niet vressen, Ik hoor aen u gebedt ghy moet een Heyden weesen,
Ghy vliet de klare Son die ghy in 't duyster bidt, O arme Mol ghy vroet en kent noch swart noch wit, Ghy wenscht hem in een poel met op- gescheurde kaken, Verandert in een Vorsch, om spottelijk te quaken, Hoe ydel is de wensch, en 't harte die dit gunt, Men kost u ook voldoen met diergelijke munt, En wenschen op-gespalkt u mondt en kinnebacken, Dat daar een Twentschen Boer heel proper in mocht hoesten, Tot dat u vnylen bek waar boorde vol ghepropt, En gingh het dan na wensch u waar de mondt gestopt, Ghy vreest dat hy eer langh sal eenen Satir werden, (Ja lieve vander Veen hoe kont ghy dit al herden) Neen neen hier in ons Landt men gantsch geen Satirs kent, Daar Spaansche Bocken zyn daar woonen die ontrent, De honden sullen hem (alsoo ghy segt) beseyken, De katten van gelijk, tot ware straf en teyken, Syt ghy Tiresias dat ghy dit alles weet, Soo sijt ghy wel te recht een Rekelich Propheet, Noch kon dit al geschien, hy mocht den dach noch leven Dat hy in Brabant quam daar syn veel heete teven, Daar is ook veel gelol van Katers fijn en grof, (Soo swart, als grijs en grauw) ontrent het Ketrek- hof, 'k En weet nau wat voor drek of sware ongevallen Die ghy den man toe-dicht, te mal om van te kallen, Op 't lest ontrent u Galge ist slimmer noch als slim, Daar loop ghy mette Cap bevecht u eygen schim, Noyt rijm soo ongetrijmt, te walgelijk om lesen, Hier is de Nar te slecht om yemants Gek te wesen, Weet ghy hoe dat sijn kleet en wesen is gestelt, Wat sinnelooser breyn heeft u de Cop gequelt, Weet ghy sijn staat, sijn daat, sijn wesen ende kleren, Wel man wat gaat u an, wel Coek-koek sonder veren, Wel spotter op de kruk, wel soete smelijkheyt, Wat brenght ghy op de baan een schoone lelijkheyt, Wat doet ghy vander Veen een ongewoone pyn, Dat ghy dus van hem maakt een twede Palatijn,
Den Palatyn te Ceulen als een Bedelaar uyt-gebeelt. Na 't oude spreek woert leugenschuch diesachtich. Hoe is u den Balch vol leugenen gegooten, Dat alle eer en schaamt daar buyten is geslooten, Toont my een Leugenaar soo wijs ick u een Dief, Want dees gekoppelt zyn ghelijk als Lief by Lief, Als Henker by de Galch, ghelijk ghy weet te stellen Met Versen in geschrift om van der Veen te quellen En met wat ongemeens te toonen wat ghy weet, Dies Hollandt u (tot lof) den Galge-maker heet, O knecht 't is wel gheschiet dat die een Galge maakte Eer hy daar minst om docht daar alder-eerst an raakte, En leert niet achterwaarts: an 't geen ghy hebt gesticht, De daat loont vaak de man, wacht keel het hapert licht, Ey maakter een van hout dat bid ick met verlanghen, Ik noemde u flus den dief laat die daar eerst an hangen, Laat die de eerste fijn die gebouw vercier, Soo waar de Kas ontlast vaa onsen Tresorier. En ghy door Phoebi gunst sout worden op getrocken, Daar u AEolus kost: verstyven en Verstocken, Gekeert is uwen Bal en vliecht na d' oude plaats, Hey lustich al weer an, nu teyken dese kaats, Gaat Heyden gaat nu by de Raven u verschuylen, (Recht onder u gebouw) als Galge- maker huylen.
Cookies on Poetry Cove