Skip to content
1642

Zinne-beelden, oft Adams appel

Jan Veen

't Is nu alst vvas.

Van An-beginne vvasser Min. En noch en is de Min niet min.

Het was als 't is, en sal ook blyven alle Tyt, Of schoon de Werrelt waar al d'Ingheset nen quyt, Ik meyne Mensch en Vee, of watmen acht voor dieren, Noch souder Minne zyn in Mugghen ende Mieren.

SIet hier Adams Nieuwelingen Fray na-bootsen d'ouwe snof, Dese wijs en komt niet of, Laat vry schim'len alle dingen Van des Werelts ingewant, 't Minnen blijft in d'ouwe stant.

Noorder buyen, Blixem, Donder, Noch geen grooten Oceaan, Kunnen Minne doen vergaan, Al dit goetje moeter onder, 't Vet wil Boven, spijt haar macht, 't Minnen is een domme-kracht.

Ofter hondert tongen klinken, Die het minnen gantsch ontra'en, Datter duy sent kreupel gaan, En alleen door 't minnen hinken, Schoon men seyt 't is haast getrout, 't Gunt daar' na te lang berouwt.

Dat zijn woorden dat zijn praetjes Van de geen die roepen Och! Doetmen sulke dinghe noch?

Hasenoten zijn 't met gaatjes Alsmen wil de Min ontraan,C'est peine perdu. An die graagh uyt vryen gaan.

Dat wy hey en wey verlooren. Ia vier dubbel Schenke-Schans, Dat de woorden van Moer-Ians, Mitse sprak, terstont bevrooren, En de lolle-pot van Lijs, Schielijk werde klink klaar ys.

Dat de moedt van Besje Bouwe, Toe-ghevrooren waar by 't vyer, Dat en waar al niet een sier, Noch en sou gheen Min verkouwe, Watter haspelt over hoop, 't Minnen hout syn oude loop.

Hoorje wel ghy jonghe Luytjes, 't Minnen is te foete dingh, 't Minnen is te sonderlingh. 't Maakt voel Bruygoms ende Bruytjes, 't Maakt een smeringh uttte pan, Sie hier isser 't staaltje van.

Noem een spiegel an dit Paartje, Sietse lonken beyde-gaar, Handt in handt de koop is Claar, Siet hoe Claar loert Ian op Claartje Als de Bruygom op een Vinck, Als een Huysman op een Schink.

Seker wie sou niet vergroenen? Al waar 't hart soo dor als mul, Of als ouwe Pietje Sul, Vryers wilje noch niet soenen.

Yeder een in syn Ghelit, Kust dan daar I rijn-Jans op gaat.

Wilje jocken, spele, springhen, Mallen, boerten, elk om strijt, 't Welk soo wat van verre vrijt, Of een aardigh Lietje singhen, Doet dat haastigh, wilje spoen, Want hier is wat aars tedoen.

Want hier is wat aars te quicken, Als te voeren onse puys, En te veghen 't Somer-huys, Dat mach onse Meyt beschicken, Maar daar moeter twee na bed, Hier en dient gheen deughd' belet.

Dies wilt dan liet reyen staken, Jonghe luyden scheyter uyt, Speulgenootjes schort de Bruydt, En vol-voert u seven saken: Spoedt u, doet met kleyn gewach Als ghy woudt dat u geschach.

Wilt de Bruydt niet langh bewaren, Want den Bruygom is gereet, Schorter wat an't onderkleet Laat hem dat met Claartje klaren, 'k Wed dat hy 't veel better klaart Oft ghy met u thienen waart

Nu vaart wel vereende Menschen, 'k Wensch u t' samen soo veel spoet, Soo van aardsch' als Hemelsch' goet, Als gh'u selven kunt toe wenschen, Hout mijn Gunst in u Gedacht, Daar mee seg ik goede-nacht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Zinne-beelden, oft Adams appel · Jan Veen · Poetry Cove