Vulcanus Vonk-baas.
NA dat Vulcanus week den grooten Godt der Sweden, Soo bracht hy hier te Landt veel duysent lompe Smeden, Hy schudden synen kop en roden veder-bos, Hy grimde als een Beyr, en loerden als een Vos, Hy stampte met de voet, en dreychde met de handen, Hy krulde sijnnen baart, en knarsten op tanden, Hy draayde als een Stier de ooghen inde kop, En streek daar na sijn hoet en barsse knevels op, Doe gingh het swetsen an, het pochen en het blasen, Het snorken en gesnuyf, het vloeken en het rasen, Papenheym beroemt sich dit brinnen Ceulen.Ick wil der Geusen Mars doen vlieden soo geswindt, (Sprak hy) niet anders als de Hase voor de Windt, Dit is voor my geen werk, 'k en houder maar voor speulen. Des troost u vry op my, ghy Borgeren van Ceulen, Ach heys Paffenheym Ach wertse zu heym dryven. Syn eyghen RedenDe daat werkt mijnen Naam Vulcanus Papenheym, De Ketters moeten voort ick drijfse na der Heym, Doch ben ick seer beducht en ben in duysent vresen, Dat Mars (voor my beanghst) al sal an 't vluchten wesen, Ik wed' dat hy bereets voor mynne trommen trilt, Als voor des Iagers tromp het ongetemde Wilt, Gelijk als voor de Wolf de sacht gewolde Cudden, En ook sijn Krijgers voor mijn naam als lov'ren schudden, Of als het snelle Hart omeingelt en gestrikt, Of als de teere Duyf voor eenen Havik schrikt, Betrap ik eens sijn Heyr 'k sal man en muys vernielen, Ia, matsen sonder moeyt, en al 't gebroet ontzielen, 'k en spaar doch niemant niet, 't is alles sonder keur, Het zy oock wie het zy de Clinge moeter deur, 't Sal gelden (al en al de kleyne met de grooten) De Daggen in het Hart, de Degens inde Stroten, De Pieken door het Lijf, de Sabels inde Cop, De Voeten op de Borst, de Poken inde Crop,
De Nagels in 't Gesicht, de Handen inde Vlechten, 't Sal blyken op een kort wat dat ik uyt sal rechten, Sie, dese vroome handt ist die van straffen weet, Sie, dese vrome handt heeft Maaghdenborgh versmeet, Wiens jammerlijck geschreeuw bepoirelt met de vonken Heeft als een snaren spel my in het oor geklonken, Wiens Solffer-vlam vermenght met karmen en ghesucht, Bewolkt met rook en damp hergalmden inde lucht, Een Echo, die het hart eens Tygers son versachten, Dat my geensins bewooch maar in het harte lachten, Hier sachmen 't wreetste wreet dat oyt den Afgront schiep, Het scheen een Helsche Mijn die Schreyborch overliep, Geen Nectar noch Banket en kost my soo vermaken, Als 't braden hares volcx en 't gloeyen harer daken, Dat looch Vulcanus niet, hy heeft den brandt op 't left Met menschen-vleys gestookt, met Menschen-bloet gelest, Den fellen Albanois, den roem der Castilianen,Duc d'Alba Den Nederlantschen vloeck, den heylich der Maranen, Die Nero overtrof in Moort en Tiranny. En alle grouw'lijkheyt, die over-treffet hy, Nooyt grijse rijdt en sal sijn boose naam verroeften, Noch roden oyt 't geheuch dit Maachdenborghs verwoesten, Niet eer en was versaat Vulcani helsch ghemoet, Voor dat de Stadt, versmolt in tranen vuyren bloet, Hier deur is hem den moet ten Gorgel op geclommen, En is in korten tijdt by Martis Heyrgekommen, Soo haast den Water-helt (Triton) syn komst vernam Gebruykt' hy hem tot hulp soo dat hy over quam, En rusten met syn volk op eennen Corduagen, Die al den gantschen last most van het legher dragen, Vulcan, dit gaat na wensch, en anders als ghy dacht, De gene die ghy dreycht heeft uwe komst verwacht, Nu, stroopt de armen op, en metter veert an 't villen, Sny Haksel uyt de Buyk, en Huspot uyt de Billen, 't Sa 't sa, daar gaat het an, nu wachtje Boer ik kom, O Gort hoespringht dien Haas met jonge Leeuwen om,
Soo, wacker aen de man, dat 's lustich an-gevallen, Hoe vluchtich klimt dat Volck (als Slecken) op de Wallen, Soo mannen broeders soo; tast soo de Ketters an, Een Schelm is die doe veel meerder als hy kan, Sie, ginder op de hoocht' kan onsen Mars beloeren, Hoe dat den Vonk-baas weet sijn Smeden an te voeren, Hy stoot, hy dreycht, hy slaat, z'en willen niet meer voort. (Ja, is dat spelen gaan? het is de magre Moort, O Treur-spel al te droef) het Schut met schramt geladen, Casty de 't arme Volck met duysent ongenaden, Daar waft trek af, trek af, maar eer de lefte vloot, Soo wasser al bereets wel dertien hondert doot, Den Snorker die ging deur en won een hoope schanden, Die sich verheuchde in brant, die vluchte nu voor 't branden. Sijn wrake was met vuyr, het vuyr vergold hem dat, Want hy en al sijn volck die kregen 't vuyr in 't gat, Vulcanus stuyte voor, en Mars hem op de hielen Die joegh hem na, soo dat de lappen hem ontvielen, Die met een stale roe bestreeck sijn ys'ren huyt, En dreeffer moort en brant met duysent vonken uyt, Soo blaft'er komter we'er, men sal u beter raken, En soo 't u wel geluckt voel grauwer voeten maken.
Cookies on Poetry Cove