'tSeven-en-tvvintichste zinne-beeldt. Stemme: C'est trop courir les caux. Ofte O hooghte van't geberght.
Ghy die u veel vermeet, En meerder waant als weet, En hebt ghy geen Planeet of teyken oyt beraamt, Het welke' op neder-duytsch de Sak-pijp is genaamt?
Doch weet ik wel voor-heen, Dat gby sult segghen, neen, Vermengt met een gelach, dan neemt'et my te goe, Dat ik soo slechten vraagh an u geleerde doe.
Waart dat den Hooren-Bok, Van't zuyden noordt-waarts trok. En bracht syn Statren hier, an onsen Horizont, Soo moghtmen sien of daar omtrent dit teyken stont.
Men sou vermoeden schier, By't ooge vanden stier, Dan by de Visschen, of gelaeden Water-man, En soekt geen Moesel, want die isser vyandt van.
Maarisser een Planeet? De welke Bachusheet, Soo staart noch eens te recht met vlytigh onder-soek, Het heeft syn needen dat ik dit an u versoek.
Om dat wy daegh'lijkx sien, Uyt-munten, vremde lien, Die 'k boertelijk glijk, (na blyk van haaren aardt) Te syn in dit Planeet ghebooren of ghebaardt.
Die volghens haar natner, Syn spraakeloos en stuer, Als of haar Tonge waar gevloden uyt de Mondt, Of dat die, of verset, of by de Lombaardt stondt.
Soo langh de sulke syn, Benuchtert vande wyn, Of vanden drank gespeent, soo 'synfe meest'lijk stom. De wijse swijght om reên en deese om geen waarom.
'tIs prijs lijk dat een Man; Syn Tongh beteu g'len kan, En louter door't vernuft, het gunt hy geggen seggen wil, Maar dese swijgen deur een viese vremde gril.
Wanneer dat sulken bloedt, Beswangert syn ghemoedt, Deur over-vloedt van drank, dan slaat den swijger uyt, Gelijk een Moeselm die, vol synde geeft geluyt.
Wiens grondt een spiesse diep, Verborgen lagh en sliep, Die werdt nu op gewekt, en vlot, door't vloeyendt nar. En dryft hem inde Mondt tot op het tonge-bladt.
Al wat hy hoorde of sagh, Dat moetêr voor den dagh, Syn lief, en ook syn leet, syn leugen en syn waar, En alle syn geheym vertelt hy openbaar.
Dan is de Tonghe rap, Ghelijk een Laz'rus klap, Van die daar scheen te syn, van stommen op-gevoedt, Die maakt dat jeder nu de stomme speelen moet.
Mits niemant int gelagh, Een beurt verkrijghen mach, Door't raat'len en gesnap, door't roepen en getier, Van dees' die nacht'renscheen een domme stomme-Stier.
Bestaat her niet op reên, Dat ik alsulken een, (Wiens Tong bedaart te traagh, en dronken is te rijp,) Gelijke by de Moesel, ofte Sacke-pijp,
Cookies on Poetry Cove