Contre schut en rest.
Des Princen spel verandert heel, Hy heeft het best dat scheeltte veel,
Hy smijt dubletten na syn sin, Tonnekens Gelt.Siet daar hy heeft de schijven in, VVel mannen vvat of dit beduyt, Gevangenen.Hy neemt al vast met hopen uyt, Antvverpen, vvel vvat segt ghy nu Den Prins herschuttet tegen u, Het vvert ook tegen u gerest, Ia geeft het vry dat is u best.
Vermomt bedekt u hooft, gaat in de diepe kuylen (Daar Zon noch Maan en schijnt) als Rekels leggen huylen, Ghy eereloos geslacht, du Bastert Spaans gebroet, Sie hoe dijn eygen Mes dy prickelt in het bloet, Treed't nu eens voor den dagh o botte Sacke-dragers, Ghy Esels van u Broers, en slaven dijnner Swagers. Antwerpen, kom nu voort en kleet u inden Rou, Vertoon u op't Tonneel als een mistrooste Vrou, Laat volgen op het spoor u Buffelyke kloekers, Het schuymsel vande guyts, dijn fraje harte-soekeers, Soek nu (nu hebt ghy re en) het hart van Grave Jan, Van dyne Mamoluk, van uwen Mossel-man, Dan snijt de man niet op, maar doet gelijk de blinden, Tast onder inde broek, misschien ghy sullet vinden, Nu mannen soek al soek ghy hebbet toch geleert, Nu Brabbelaarkes soek, wat isser dat u deert? Hy heeft gewis een hart, waar toe dan al dit zuchten, Hy heeft soo kloeken hart dat hy wel dorste vluchten, Te water en te land', door modder dik en week, Soo dat den armen hals Sint Joris varken leek, Ow onderbaarlyk hart! wat hebt ghy al bedreven? Veel hondert harten zijn door't selve hart gebleven, En dit is vry en los, en evenwel in schrik,
Dit herte won sich self, en liet de rest verlooren, Wat hette datter quam! bleef even wel bevrooren, Want 't is van 't kouste stof, van bloodtheyt stout en wijs, Gemaakt van Noortse sneenw, en van Moscovys ijs, Nu gasten wacker an, de wacht is u bevoolen, Het meest daar ik vermoe dats onder op de zoolen, Het gaat u selven an, dit harte komt u toe, 'k En weet geen ander wech als inde linker schoe, Ghy moet met dit Juweel na uwen Conink rennen. Maar vrinden dat ghy 't saacht soudt ghy het hart ook kennen, Ik twyffel daar wat an, want desen Mossel Baas, Die heeft een hart (soo 'k meen) als twijf ken van een haas, Ik sie wel wat het is, ik hoor 't wel an u vloeken, Ghy willet eerst de vloot en dan het harte soeken, Laat varen dan het hart, de oorsaak van u pyn; En soekter niet meer na, maaryeder soek het syn. Dat boos verslagen hart is tot verlies ghebooren, U harten zyn door 't sijn gelykerhant verlooren, Maar onsen vroomen Prins, die nummer moet ontviel, Ghewisselijk die leyt het harte inde hiel, Syn gansche lijf is hart van boven tot beneden, Soo woont dan 't moedigh hart in al sijn floxse leden, Antwerpen, 't spel was goet, maar hy die 't maakte vals, Den Boos-wicht draeyde een strop tot wurgh van eygen hals, Ghy vint een houten hart door u broot-dronken parten, Verliest daar teghen we er veel duysent rechte harten, Schut Rest is onse jou, ey jou eens over-luyt, Goe mannen gaat met Godt, het spel dat is nu uyt.
Stuer Recht.
Cookies on Poetry Cove