Tot de nieuvve ghetrouvvde.
IA, ja, het is te laat daar helpe nu geen praatjes,
Daar is geen eers'len an, ik segge t is te laatjes,
Ik hope dat het u sal gaan in d'Echten staat,
Dat yeder voor syn deel sal seggen 't is te laat,
Och waar ik eer in d'echt met myn soet lief getreden,
Voorwaar ik quam te laat wat leef ik nu in vreden,
Wat leef ik nu in vreughd', wat leef ik nu in rust,
Ik hebbet na myn wensch, ik hebbet na myn lust,
Wat was ik van te voor? och had' ik dit versonnen,
Och had' ik dit wat eer wat vroeger toch begonnen,
Myn eensaamheyt was droef by dit o! soet versaem,
Hy die ontwarren kost den Chaos, in wiens naam
Het allesbuyghen moet die stort hier toe syn zeghen,
Hy ist en niemant el die 't maken kan te deghen,
Hy ist en niemant el die daar ghebenedijt
De wercken uwer handt, de vruchten uwer tijt
De gaven uwes gheefts, de spruyten uwer minne,
De vreede uwes echts, en alle u ghewinne,
Dien minnelijke Godt die soo sorghvuldigh kopt,
Voor onfer harten deur, daar voor geen oor' en stopt,
Hoort heden synne stem ons Harder die komt smeken
Tot syn behaachlijk volk, an-heft hy dus te spreken.