Skip to content
1642

Zinne-beelden, oft Adams appel

Jan Veen

Ik leef door de Doot.

Hier hebben wy de man den tweeden Broer Corneli, Grimbartus Bolderbast, die Meester van't krakeel is, Com hier en luystert toe van datmen seggen wil, Bedwing u tonge-bladt, en swiegh soo lange stil, Ghy noemt Jan vander Veen een eerloos Princen schender, Dat fulx gelogen is: weet aller harten kender, Hy kreech noyt sulken wond als van u felle beest, Doch't hayr van uwen hondt hem dubbel weer geneest, Dan lijkwel, bid ik u, ey lieve gaat niet voorder, Op datter geen en kom en noem u Princen-Moorder, En spook met welhems Geest, en toon de moortsche schoot, Tot lust van uws gelijk die leefden door de doet,VVilhelmus Prince van Grangien verradelik doorschoten. En groeyden in de daat, gelijk het heeft gebleken, Dies is u in-gemercht van Galg' en Rat te spreken, Gh'en hebt geen beter stof daar ghy u me verweert, Dat hebt ghy van Duc d' Alb' u Beste-vaar geleert, Dit is u int gebeent, doch sult ghy met u woorden (Als hy met sweert en bast) de vrome niet vermoorden,Anneken van den Hoove tot Brussel l[eve]ndigh ghedolven, 1597. Of als Albertus de d' Aertsch'Hertooch tot een proef, Doe hy een levend Lijk soo wredelyk bedroef,

Aertsch Hertoch mochtmen hem met recht, te recht wel heten, De aarde tot dit Graf en heeft hy niet vergeten, De aarde heeft hem we er gemaakt een aarde-man, En ghy zijt ook van d'aard en aardt na den Tyran, (O Anna waar met u de Tyranni gedolven, Soo waren wy ontlast van dit gebroet der Wolven) Doch Wolfaardt heeft een wijl syn Moordery geschort, Waar deur? nyt louter vrees, sijn Nagels zyn ghekort, 't Gemoet is onversoort, men speurt wat hy in sin heeft, 't Barst alle zyen uyt, een vat geeft uyt dat't in heeft, Dat hoortmen an de zang van desen Spaanschen haan, De Vos is nummer zat van Hoender vleys te la'en, Beletmen hem de prooy soo sal hy in getruer zijn, Maar spreken tegen't hart dat alle druyven suer zijn, U vryen is vergeefs, de tong het hart beklapt, Hoe wel ghy met de Vos van eenen brouwer tapt En dat ghy niemant kunt met uwe tanden treffen Is u ten minsten leet, dat blijkt an al u keffen, Dat blijkt an yeder woort dat u ten mond uyt gaat, Dat blijkt an't bloedich Cruys dat in u Vlagge staat, Onnodich meer geseyt, van dat soo openbaar is, Onnodich van de Son gesworen dat hy klaar is, Dit sal 't hem soo wel doen, 't is reden datmen't staak, En nemen by der handt van u een ander saak, Ghy wilt Jan vander Veen sijn luysich hooft bekronen, Dat is noch eens geseyt, doch niet te min om tonen, Dat ons geen stof ontbreekt om u hierme te do'on, Soo salmen u vol-doen op dese Net'len Croon. Ghy croont met netelen, de Joden de ent met doornen De Specken doen't u hooft, met lang getakte hoornen, Hoe smaakt, u dese kaas, of isse wat verlebt, Wy blyven by het ons, en hout ghy dat ghy hebt, Ghy segt sijn luysich hooft, maar vrint is u vergeten, Philippus 2. Coningh van Hispanien van de luy'en opgegeten Dat uwen Coning Phlip daar van is op gegeten, Dien bloet-hont is daar door van't snode lijt berooft, Gaat kroont sijn beeltenis u over-luysich hooft,

En ghy sijn onder-saat de naast om wat te erven, Na u gheringhe staat, meucht van de neten sterven, Ja, ja, het komt u toe dat is ghenoech bepleyt, Daar is ook niemant niet die daar wat tegen seyt, Maar wy die sijn on-echt, en die rebellen heten, Die heeft hy gantsch ont-erft wan luysen ende neten, Die stijft u hoovaardy en op-gheblasen moet, Om dat ghy dagelijcx verkeert met Coninghs bloet, Maar laat ons nu eens gaan goet ront recht op syn Gelders, Hoe komt dat ghy te saam (ik meen u, met u schelders) Dus schoet op eenne leest, dus scheert op eene kam, De rijm en al het stof gelijkt als vlam en vlam, Gelijkt als drop en drop, 'tis vreemt, hoe mach dit wesen, Want alsmen 't eene leest soo heeftmen 't al geleesen, En yeder voor syn hooft al wat hy scheldt of schendt, Comt achter weer als voor, t is 't lietjen sonder endt, At wat de eene spreekt heeft d'ander ook gesproken, Al wat de eene wreekt, heeft d'ander al ghewroken, Dus is u voddery uyt eender handt gesmeet, Wt eene pot gesmeert en even blauw gekleet, 't Is recht een Kalver-dans, de Koe heeft voor gesongen, Gelijk de oude bulkt soo blaren al de jongen, De Muys is als de Moer, 't is al van 't selve stof, Ghy haspelt een derley, en spint al even grof, Men kan nau onderscheyt in deen of d'ander hooren, De Esels syn gelijk van weesen en van ooren, Gaat Broer Cornelis gaat in oude pelsen schuylen, (By Ph'lippi groysaam vee) gelijk een luys-bosch huylen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Zinne-beelden, oft Adams appel · Jan Veen · Poetry Cove