Op de stem: Lof zangh Maria.
EY Bruyd' gom neemt uit goe,
Dat ik dees' leringh doe,
Als wijser 't onderwijsen,
Dooh ken ik u te recht,
Al waarse noch soo slecht,
Ghy soutse lijkwel prijsen,
De ganst volvoert de daadt,
De liefd en siet geen quaadt,
Sy duijt het al ten besten,
Doet soo met u vrindin,
In stage trouwe min,
Van 't eerste tot den lesten.
Doet ook soo met u Vrint
O Bruyt weest eens gesint.
Doch niet soo blint van oogen
En weest, dat ghy het quaat,
Dat een van tween mis-staat,
Vrywilligh sout gedogen.
Ghebedt.
O Schepper groot van macht,
V Goddelijke kracht,
Laat ons Ghebedt bewegen,
Wy bidden met ootmoet,
Geeft toch in evervloet,
Dees nieuw Gehouwde zegen.
Verrijk haar met de deught,
Vercier haar jonghe jeught
Met een Godt-vresend leven,
De Vruchten van dit paar,
Wilt minder niet als haar
Gebenedijdingh gheven.
Spijst bare Zielen met
V Goddelijke Wet,
Dat bidden wy u 't samen,
En als zy zijn volleeft,
Door u ghenade gheeft
Haar 't eeuwigh leven, Amen.
Stuer Recht.