Zegen vvensch tot de nieuvv' gebouvvde.
WEl Musa wat is dit, wat hebt ghy voor-genomen, Wat hebt ghy in u sin te temen van mijn dromen. Te temen van mijn dut en wonderlijk fatsoen, Wat heeft een ander met dees voddery te doen, Maar wilt na uwen aardt met soet gheseyde reden, Met soete koosery tot deese Liefjes treden, Tot deese segh ik die nu heden deesen dagh Gestrikt syn mette knoop, die niemandt breken mach, Die niemandt dan de doodt, en 't geyl onkuyssiche minnen, Kan ryten van malkaar, wat taal sal ik beginnen, Wat luk, wat heyl; wat vreucht, wat zegen-rijke spoet, Sal ik dit lieve Paar doch wenschen voor een groet? Och! gingh het na mijn wensch, den Hemel en de Aarde Die schonken haar een gift van ongemeene waarde, Van ongemeene schat, van onghemeen cicraat. Een gift, die alle gift van gaaf te boven gaat, Dat is, ghestade vreucht, en vrede hier beneden, Soo lange sy 't gebouw van 's werrelts rondt betreden, O! Heerscher groot van macht, laat dit alsoo geschien, Ja langer, tot sy haar kints kind'ren moghen sien, En wyders, als de Doodt haar 't leven komt op-eyssen, En haar volsponnen draat sal snoeyen met de seyssen, Die niemant niet en mijt, die niemant en verschoont, Dat sy hier namaals dan, in eeuwicheyt ghekroont Met ongehoorde vreucht, ghestadich moghen wesen, Mijn wenschen is nu uyt, geen grooter wensch als desen, Vaart wel ghy lieve twee, vaart wel gemaakte een, Vaart wel ghetrooste paar, ik wil gaan treden heen, Ik wil gaan treden by de soete harte diefjes, En vragen na de staat van heure soete liefjes.
Cookies on Poetry Cove