Het licht.
't Is een Arent den name.
Maar geen Arent inder daat,
Vroom, geschikt, van goede Fame,
En van geen geringe staak,
Kloek van moet, van dant, van rade,
En gedienstigh alle man,
Die het goede uyt het quade
Rijk'lick onderscheyden kan.
Die wel heeft gheproest, te vooren
's Werrelts ongestadigheyt.
Ia gewonnen en verloren,
Wat hem God had'toe-geleyt.
Dus heeft hy bezeylt de haven!
Van het dampige geklach,
Doen hy most heel leegh begraven
Dat hem boven't harte lagh,
Maar gelijkmen siet ghebeuren
Alle dingh heeft sijnen tijdn,
Narren zijn't die altijt treuren,
Of gestadigh zijn verblijt,
Soo heeft oock de tijt en stonde
Maar de Heere boven al
Hem getroost met Hillegonde,
Die fijn by-slaap wesen sal.
Siet mijn vrienden dit's in 't korte
Dat ik u vertelle, maar
Ofter u noch yets anschorte
Leeft de Rey eens van dit Paar.