De tydingh is een loopend vyer, Van d'ander vverrelt komtse hier.
NA dat de Faam vertrok, besocht sy eerst de Custen, Daar sich Aurora met de blonde Son verlusten, Daar stakse haar Trompet, daar deed'se wacker los, En blies, hoe Frederik won Wesel en den Bos, En hoe Marane most met schand' de Velu laten, En al het snoo ghespuys van Keysersche Croaten. Van daar is sy gheswind' na 't Noorden toe ghekeert, Daar Bacchus aldermeest werdt door den dronk ge-eert, Maar sach dat nu sijn Hof schier was te niet ghekomen, Door dien een deel sijns Rijkx van Mars was ingenomen, Doch alles watse sach, en yeder dee verstaan', Dat sullen wy on re'en met kortheyt over-slaan.
Geweken van de Rhijn ghescheyden van de quaden, Belanden sy daar na op twee-en vijf-tich graden, Al waar dat sy Neptun heeft Boden-broot gheeyst, Ik kome (sprak de Faam) uyt Indien ghereyst, U kind'ren varen wel, haar manghelt niet met allen, 't Syn Leeuwen op de Zee, en Katten op de Wallen, Sy Kunnen slinkx en rechts: doe heeftse voort vertelt Hoe dat het over al daar was in 't Landt ghestelt, Met gafse haar ter vlucht met uyt-ghespreyde wieken, Besiende 't Roomsche volk vermenghelt met de Grieken, Int kort, sy sach het al wat inde werrelt was, Vergat ook niet op 't left den lustighen Pernas, Daar vantse wel te pas de neghen Sangh-Godinnen, Die niet dan fuyvre Vree en hooghe Wijsheyt minnen, Van dese word' de Faam seer minnelijk onthaalt, En sy heeft met een groet dit vrindelijk betaalt, Gheseten in het groen op 't schoon tapijt det bloemen, (Daar sich Natuer alleen Baasinne van mach roemen,) Word onderlingh ghevraaght van waar dat Fama quam, En waar sy was gheweest, en wat sy goets vernam, Sy scyde 't waar te langh myn reyse te verklaaren, Of wat ik heb ghehoort, ghesien of wedervaaren Doch waar wel onbeleeft soo ik u niet voldee, Ja niet alleen in dit, maar in veel grooter Bee.
Cookies on Poetry Cove