Skip to content
1637

Over-zeesche zege en bruylofts-zangen

Jan Veen

Rey Van de Yssel-Nymphen.

Op de stem:

Di moy, di moy, Birenne, mon ami:

AL Floraas vreught en Ceres soete Lief, Is veer van hier ghevloden na het Zuyden, Voor ons helaas! te grooten ongerief, Verdort, versoort, zijn bloemen loof en kruyden.

't Verwelkte groen ghebruyken wy by noot, Om 't kuyssche Hooft van BARTAE te bekroonen, Is kleyn de daat, de gunst is meer als groot, Om onse Speelnoot dankbaarheyt te toonen.

O Pallas Maaght, Dianaas Gesellin, Noyt wort besmet dijn eer noch kuyssche zeden,

Hoe komt dat u vermeestert heeft de min? Wiens pylen noyt, als nu, dijn hart door-sneden.

Doch Jovis wil is quaat om wedet-staan, Hy ist die dwinght den blixem, wint en regen, Hy ist die weet al watter wert ghedaan, Hy is tot goed', maar 't quade niet genegen.

En u, die zijt sijn Dochter (door de deught,) Sal hy gewis na sijn behaghen stichten, Dus ist sijn doen, en niet de geyle jeught, Noch 't blinde Wicht met sijn broot-dronken schichten.

Heeft dan, heeft dan den Hemel dit voorsien? En dese Echt int gulden Landt besloten, Wie drommel sou dan durven dit verbien, Wat Lab soo koen om dit rontom te sloten.

Sie hier vermenght het suyre met het soet, Ons lacchen met ons alssem bitter schreyen, Wy zijn verheught van 't geen u is ontmoet, En ook bedroeft dat wy nu moeten scheyen.

Stuer Recht.

I. vander Veen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.