Trophee.
EEn eeuwich lof verdient den man,
Die sulcke Ciersels vinden kan,
Van waard' en ongemeene glanssen,
Dat aller Cesars Lauwer dooft,
Om daar me 't overheldich hooft
Ons Princes heerlyck te bekranssen.
Heeft Celon niet dat wel gelijck,
Oft China oft het Perus Rijck,
Om aan syn eeren Pruyck te hechten,
O! dat ick mocht, of dat ick kon,
Ick trock wat straaltjes uyt de Zon,
En sou yet Hemels voor hem vlechten.
Voor hem segh ick voor wien de doot,Inde galerien voor den Bos.
Door vreese inde Werckers vloot,
Oft and' re die ontrent hem waren,
vreest sich, voor wien een yeder vreest,
Hoe vreest dan nu 't gekroonde Beest,
Met alle hare buyck dienaren.
De groote ziele in sijn rust,Mauritius beger gedachten.
Anschout met meer als aardtsche lust,
Syns Broeders over vrome daden,
Of soo het sien van boven ne'er,
Alleen toe kommet Godt de Heer,
Hem in syn plaats groet met genaden.
Dat hoger geest de harf nen quclt,
En schryf van aller Helden Helt,
Ick geef het over aan een ander,
Waar vintmen stof tot lof soo reyn,
Voor die, daar by geleken kleyn
Moet zyn, den Groten Alexander.
's Hertogen Bos, altyt geacht
Onwinlyck, wint den Prins met kracht,
Ontrent in tijt van twintigh weken,
Met Wesel 't Heerelyck gebouw,
O Fredrick Hendrick van Nassouw,
'k Word' hees van staagh u Roem te spreken.