Skip to content
1637

Over-zeesche zege en bruylofts-zangen

Jan Veen

VVt- tocht der Isabelliten.

NA dat ick tot Meester Joris Had' genut wat Brandemoris, Met een weynighje, beschuyt, Ging ick smorgens goet tijt uyt, Om den uyt-tocht te beschouwen, 'k Sal den Maandagh wel onthouwen, Seker desen Maandaghs spoet Smaacket Heeroom soet als roet, Siet wat volck komt hier te wagen, Met de oogen neer geslagen, Met het aansicht stuer en prat, Statigh als Jan Pelfers kat, Stemmigh als een Bock van Romen, Zijn die vande sijnste vromen? Die ten dienste staan van Bel? Vraaghd' ick aan myn meed' gesel: Die sey, en begon te scheren, Dese vogels swart van veren, Zijn de Ravens haast gelijck, Die in 't Babilonsche Rijck Zijn de meeste van termogen, Want sy picken uyt, de oogen Van de slechten allegaar, Die haar blind'lingh volgen naar, Die haar diennen ende eeren, Die al doen wat sy begeeren, Die al doen het gunt sy raa'n, 't Zy van moorden of verraa'n, Of van and're sware saacken, Sy zijn't, die de werelt maken Over al in rep enroer, Want sy krygen an haar snoer, Keysers, Princen, Vorsten, Heeren, En al daar sy by verkeeren, Nectar lijckt haar soeten wijn, Maar het grontsop, is fenijn, Wacht u voor die Hipocriten, Voor de vogels Jesuiten, Siet dat ghyse wel besiet, Diese kent en kooptse niet, Ja docht ick is dat gepresen, Dit en moet geen Maack'Jaar wesen Dit loopt schricklyck buyten beens? Daar na vraaghd' ick hem noch eens Wat zijn dees' die hier voeteren, Gansch end' al in witte kleren, Vande zolen tot den top, Vande voeten tot den kop, Dit (seyd' hy) zijn Bastert Swanen, Maaghschap vande vochte cranen, Diemen lec kerlyck moet voe'n, Met de spiertjes van een hoen, Met de stipjes vande snippen, Want sy konnen aars de slippen, Vanhet Klooster haspel tuygh, Qualijck lichten vanden huygh, Dese met haar graauwe kappen, Dat zijn Broeders vander nappen, Troosters vanden duytschen dors Salvers vande grage borst, Biechters vaade naackte Nonner Straffers vande volle tonnen, Kind ren van Sint Joris swijn, Kelders vande klare wijn, Geyle Satirs in het minnen, Bacchus die naars in het Ninnen, O 't zijn sulcke droncke bloets, En die daar gaan Barrevoets

Dat zijn Lutzenborger droefen, Die gaan't heele landt deur soefen, [S]iet dien Nicker gins eens gaan, Als een kermis Baviaan, Of een Aap van Barbaryen, Maar hoe gaat dien luvs-bos schryen, Of Sint Job hem had'geraackt, Siet het krijgs-volck dat genaackt, Met Mortieren ende Stucken, Diemen qualyck voort kan rucken, Wt de gaten nier en daar, Want de ladingh is te swaar. Nu ick weet niet meer te seggen, 'k Macher soo veel op gaan leggen, En na mynen Soet'laar gaan, Want den uyt-tocht is gedaan.

Stuert Recht.

J.v. Veen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.