Vryage.
EEn ongehoorde vreught van onverwachte dingen, Omhelst ons' vrye volck door God en Fredricx hant, Een ongehoorde ramp komt voor de scheenen springen, Den A rent, Antechrist, en wreden Dwingelant, O! eersten dagh van Mey ghy sult ons heughlijck heugen, Ghy teellet door u min dat dapperheyt verciert, Nassouw' begroet den Bos na alle sijn vermengen, En ghy ons moeder d'aard', die 's Princen doen lauw' riert. Een noyt verwonnen Maaght hovaardigh op haar muiren, Omschanst, omwatert, en diep slijckigh bemorast, Wiens woonningh sonder yet beschanst was van natuiren, Wert inde minne maant gevryt en angetast, Niet als den Oorloghs God Vulcani Vrouw' antasten, Met strelen en gekus of minnelyck gesmeeck, Doen hy den lompen Smit twee hoorenen anpasten, Neen, onsen duytschen Mars gebruyckt een ander streeck. Na dat sijn Leeuwen hart geraackt was op het heetste, Van Silva Bos-Goddin, niet tegenstaande dat Dees Nimph hem wert ontraan, vermits sy was de wreetste In 't Babilonsche Rijck, heeft hyse angevat.
Heel op een ander wijs als die de scheennen stoten, Hoe wel sijn trotse Lies met spot na d'oude sleur Sey met een schotsche lach, het deurtjen is gesochten, Ey keer, ghy breeckt u hooft, smits dochter isser veur, Wat voor een kromme sprong is u in't hart getogen? Wat waan, wat tovety vernestelt nu u breyn? Wel hey, verblinde Vorst ey opent eens u oogen, De grootste onser gloob is voor my al te kleyn, Haar opgeblasen borst van hooghmoet ende tooren, Vergiste meer en meer haar Adderige tong, 't Welck over-tolligh klonck den Minnaar in sijn ooren, Die hierom des te meer haar na het garen dong, Geen water of mouras, noch diepe modder poelen, Geen donder of geblick, noch vreese vande doot, En kon sijn vuyrigh hart noch minne doen verkoelen, En diese achten kleyn die heefof in hem vergroot, Sijn over grootsche Lief in haar verweende woning, Onwinnelyck geacht wert treffelyck bewaart, Door kloecke diennaars van een groot en machtig Coning,Tegen sijn danck. Die voor Batavia somwijl sijn schatten spaart, Dies op sijn ouder-wets vermengt met nieuwe snossen, Komt Ridderlyck ter baan den Vredenrijcken Helt, Die met sijn vryery niet lang en wilde slossen, Hy weet van geen gevley, maar troetelt in het velt: Sie daar, daar gaat het an, met trommen en trompetten, Met wapenen geklanck, en schrickelyck gedruys, Sijn vliegende Banier komt braaf rontsom besetten, Sijn gramme stuer en suer en soete Liefjes huys. Den vromen Delvenaar doet kloecke delvers delven,Prins van Orangien. Men draaft, men slaaft, men graaft het water tot een lant, Men slijckt, men dijckt, het lijckt int minste niet sich selven, Men braackt, men maackt dat 'traackt uyt menschelyc verstant,
Daar bouw't men schans by schans, redouten, halve-manen, Hier horenwerck by werek, daar soo veel krullen by, Dat Romens Bulleman, en 't broetsel der Maraannen, De vrees het achter-lijf ontsteeckt met poplecy. Mijn Musa loopt te veer ick sou my schier vergeten, Te schryven van 't beleg wat wonder datmer vint, Van grasten, dijck of dam darf ick my niet vermeten, Soo 't Argus recht besach de groote gool werdt blint: Noch even dreuts van moedt hout haar de stuersche Deren, Die wacker is getroost door haar manhafte wacht,Groubbendonck. Een ouwen trouwen gast quijt dapper sich in't weren, Die 't meeste van 't gevaar als.'t alderminste acht, Nu schiet my inden sin wat desen dorste seggen, Tot een die met geley by hem uyt 't leger quam, Waarom komt uwen Prins de vorschen hier beleggen? Dat is de Croon te na sprack desen ouden stam, Den Verst gaat voort en voort sijn wout-vrindinne nad'ren, Die weynnich min of meer voor d'uytkomst is besorcht, Verandering van bloet kruypt door haar grove ad'ren, Cleyn wert haar hart en hulp, en swac haar troost en Borcht. Dit gingh de Werrelt deur de vlugge Faam uyt-blasen, Tot inde hoven van Madriel en Oostenrijck, Dit brocht dees beyde t'saam door jalouzy an 't rasen, Die swoeren soet en suer en wrake te gelijck. Hier danstmen om de Bruyt die nu is bleeck en delu. Hoor' daar, wat voor gerucht komt boven vanden Bergh Met dese wederklanck, den Jager is in Velu, Dat gaf haar weder bloet, dat gaf haar schinckels mergh. 't Is waar hy isser in, met Mossen en Maranen, Met Francken, Waal, en Schot, met Slesi en Moraaf, Met Engels, Yer en Deen, met Pool en Ital'janen, Met Meiren en Crabaat, met Meester, Knecht en Slaaf,
En al het schroey en schrot van 't ende der vier winden, Is door den Berghschen Graaf de Boeren toe-gebrocht, Wat slimmer droes heeft doch dit schuimsel konne vinden O! hier heeft Belsebub veel jaren na gesocht. Wat moetwil datmer doet van moorden, roven, schenden, En ander tyranny te melden, waar te lang, Ick roert een weynich an, maar wil daar haast van enden, Ey hoor, hoe 't droevigh liet verkeert in bly gesang. Dit folfferigh gespuys heeft flockx gebrant geblaackert, Men gaft haar alles prijs, maar, door dit Veluws vuir, Is het benaude kint gekoestert en gebaackert, VVesel, borgery. De smarten af-gedrooght, gewonden inde luir. Hoe scheert den droes het swijn wat krijgt hy slechte vlocker, Graaf Hendrick met dit spul en jammerlyck gefluyt, Meent synnen Vedder soo van 't Bosjen af te locken, Ja, eennendartich juyst, daar me soo was hy uyt. Hy haspelt gins en weer, voor Hattum sout hem gelden, Hy docht de Geus van angst die kruypt nu inden dop, Met, komter snachts een Post die hem wat vreemts vertelden Daar was het, voort, voort, voort, Soldaten op, op, op, O vrint! ey loopt soo nier, het werck is niet begonnen, Maar ganschelyck vol-endt, ey lieve hout u rust, O bloet hoe past dien hoet, siet Wesel is gewonnen, Hoe dat hem is te moe dat is hem best bewust.
Cookies on Poetry Cove