Skip to content
1637

Over-zeesche zege en bruylofts-zangen

Jan Veen

Contre Schut en Rest.

Des Princen spel verandert heel, Hy heeft het best dat scheelt te veel, Hy smijt dubletten na sijn sin, Siet daar hy heeft de schijven in,Tonnekens Gelt. Wel mannen wat of dit beduyt. Hy neemt al vafi met hopen uyt,Gevangenen. Antwerpen, wel wat segt ghy nu Den Prins herschuttet tegen u, Het wert ook tegen u gerest, Ja geest het vry dat is u best.

Vermomt bedekt u hooft, gaat in de diepe kuylen (Daar Zon noch Maan en schijnt) als Rekels leggen huylen, Ghy eereloos geslacht, du Bastert Spaans gebroet, Sie hoe dijn eygen Mes dy prickelt in het bloet, Treed't nu eens voor den dagh o botte Sacke-dragers, Ghy Esels van u Broers, en slaven dijnner Swagers. Antwerpen, kom nu voort en kleet u inden Rou, Vertoon u op 't Tonneel als een mistrooste Vrou,

Laat volgen op het spoor u Buffelyke kloekers, Het schuymsel vande guyts, dijn fraje harte-soekers, Soek nu (nu hebt ghv re'en) het hart van Grave Jan, Van dynne Mamoluk, van uwen Mossel-man, Dan snijt de man niet op, maar doet gelijk de blinden, Tast onder inde broek, misschien ghy sullet vinden, Nu mannen soek al soek ghy hebbet toch geleert, Nu Brabbelaarkes soek, wat isser dat u deert? Hy heeft gewis een hart, waar toe dan al dit zuchten, Hy heeft soo kloeken hart dat hy wel dorste vluchten, Te water en te land', door modder dik en week, Soo dat den armen hals Sint Joris varken leek, O wonderbaarlyk hart! wat hebt ghy al bedreven? Veel hondert harten zijn door 't selve hart gebleven, Veel duysenden daar door gekomen inden strik, En dit is vry en los, en evenwel in schrik, Dit harte won sich self, en liet de rest verloren, Wat hette datter quam! blees even wel bevroren, Want 't is van 't koutste stof, van bloodtheyt stout en wijs, Gemaakt van Noortse sneeu, en van Moscovys ijs, Nu gasten wacker an, de wacht is u bevolen, Het meest daar ik vermoe dats onder op de zolen, Het gaat u selven an, dit harte komt u toe, 'kEn weet geen ander wech als inde linker schoe, Ghy moet met dit Juweel na uwen Coninck rennen. Maar vrinden of ghy 't saacht soudt ghy het hart ook kennen, Ik twyffel daar wat an, want desen Mossel Baas, Die heeft een hart (soo 'k meen) als 't wijfken van een haas, Ik sie wel wat het is. ik hoor 't wel an u vloeken, Ghy willet eerst de vloot en dan het harte soeken, Laat varen dan het hart, de oorsaak van u pijn, En soekter niet meer na, maar yeder soek het sijn,

Dat boos verslagen hart is tot verlies geboren, U harten zijn door 't sijn gelykerhant verloren, Maar onsen vromen Prins, die nummer moet ontviel, Gewisselyk die leyt het harte inde hiel, Syn gansche lijf is hart, van boven tot beneden, Soo woont dan 't moedigh hart in al sijn floxse leden, Antwerpen. 't spel was goet, maar hy die 't maakte vals, Den Boos-wicht draeyde een strop tot wurgh' van eygen hals, Ghy vint een houten hart door u broot-droncken parten, Verlieft daar tegen we'er veel duysent rechte harten, Schut Rest is onse jou, ey jou eens over luyt, Goe mannen gaat met Godt, het spel dat is nu uyt.

Stuer Recht.

J. vander Veen Daventr.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Over-zeesche zege en bruylofts-zangen · Jan Veen · Poetry Cove