Transformatie.
Siet Wesel wort een doeck, een neusdoeck die de oogen, Van ons' bedroefde volck seer angenaam komt drogen.
HA, ha, ha, ey sie de Boeren Nu eens om het hoeckje loeren, s'Hebbent oock al inde neus, Wesel roepen sy is Geus, Nu begint de tong' te roeren, Nu begintmen vlag' te voeren, Yeder een op sijn mannier, By de Wijn, en by het Bier, Lestmaal gaande over straten, Hoord' ick hier of kluchtigh praten, Van een man die (soo my docht) Niet wel Papen lijden mocht, Laetse nu Oremus lollen, (Seyd' hy) die geschoren bollen, Te rogamus audi nos, Nu ist Wesel; dan den Bos,
'k Hoor vast vloecken Isabelle, Al de Duyvels uyt der Helle, Al de Monsters vander Zee, En sy meenter Hendrick mee, Hendrick heeft hem wel gequeten, Daarom sal hy Vygen eten, Vygen uyt het Spaansthe landt, Als men gaf den Admirant: Hoe sal Ioel Rei op hooren, Met sijn korte Midas ooren, Hy sal brullen als een Stier, Singen als een Ezel dier, Maar als over sijn die vlagen, 't Sal hem dan soo wel behagen, Of hy met sijn bloote gat Op een heten hekel sat, Qualijck kon ick 't lacchen laten, Van dit koddigh boertigh praten, Holla, seyd' ick, hoger niet, Van het geen nu is geschiet, Laat ons Godt van harten prijsen, En hem danckbaar eer bewijsen, Die ons inden hogen noot Meer als heyl en hulpe boot, Wesel heeft hy ons gegeven, Sonder schade, daer beneven, Veel Geschut en Rijckdom by, Heere Godt wy dancken dy, Alles komt in onsen handen, Als ghy strijt voor dese Landen.
Stuert Recht.
J.v. Veen.
Cookies on Poetry Cove