Het gekal is over al.
MEn sou door Cijffer-kunst te recht nau konnen stellen,
't Getal der Nimphen die de vlugge Faam versellen,
Op aarde en is geen plaats' daar menschen zijn geteelt,
Of zy en heeft daar van al vry een groot gedeelt,
Op aard' is geen geslacht behalven d'aart der stommen,
Of sy en heeft daar van al min of meer bekommen,
s'En draaght geen onderscheyt, maar neemt gewilligh an,
Die maar het tonge-bladt een weynigh roeren kan,
Dies is het dan genoech, dat wy dit laten dryven,
En dat wy maar alleen het speule-gaan beschryven
Van die, die wert genaamt Goddinne van 't Gerucht,
Wiens Exterige sang vervullet aard' en lucht.