't Is nu alst was, Van An-beginne vvasser Min, En noch en is de Min niet min
Het was als 't is, en sal ook blyven alle Tijt, Of schoon de Werrelt waar al d'Ingeset'nen quijt, Ik meyne Mensch' en Vee, of watmen acht voor dier Noch souder Minne zijn in Muggen ende Mieren.
SIet hier Adams Nieuwelingen Fray na-bootsen d'ouwe snof, Dese wijs en komt niet of, Laat vry schim'len alle dingen Van des Werelts inghewant, 't Minnen blijft in d'ouwe stant.
Noorder buyen, Blixem, Donder, Noch geen grooten Oceaan,
Kunnen Minne doen vergaan, Al dit goetje moeter onder, 't Vet wil boven, spijt haar macht, 't Minnen is een domme-kracht.
Ofter hondert tongen klinken, Die het minnen gantsch ontra'en, Datter duysent kreupel gaan, En alleen door 't minnen hinken, Schoon men seyt 't is haast getrouwt, 't Gunt daar na te langh berouwt.
Dat zijn woorden dat zijn praatjes Van de geen die roepen, Och! Doetme sulke dinghen noch? Hasenoten zijn 't met gaatjes C'est peine perdu.Alsmen wil de Min ontraan, An die graagh uyt vryen gaan:
Dat wy hey, en wey verloren, Ja vier dubbel Schenke-Schans, Dat de woorden van Moer-Jans, Mitse sprak, terstont bevroren, En de lolle-pot van Lijs Schielyk werde klink klaar ys,
Dat de mondt van Besje Bouwe Toe-gevroren waar by't vyer, Dat en waar al niet een sier, Noch en sou geen Min verkouwe, Watter haspelt over hoop, 't Minnen hout sijn ouwe loop.
Hoorje wel ghy jonghe Luytjes, 't Minnen is te soeten dingh, 't Minnen is te sonderlingh, 't Maakt veel Bruygoms ende Bruytjes, 't Maakt veel smeeringh uytte pan, Sie, hier isser 't staaltje van:
Neem een spiegel an dit Paartje, Sietse lonken beyde gaar, Handt in handt de koop is Claar, Siet hoe Claar loert Jan op Claartje Als de Bruygom op een Vinck, Als een Huysman op een Schink.
Seker wie sou niet vergroenen? Al waar 't hart soo dor als mul, Of als ouwe Pietje Sul, Vryers wilje noch niet soenen? Yeder een in sijn Gelit, Kust dan daar Trijn-Jans op gaat.
Wilje jocken, spele, springhen, Mallen, boerten, elk om strijt, 't Welk soo wat van verre vrijt, Of een aardigh Lietje singhen, Doet dat haastigh, wilje spoen, Want hier is wat aars te doen:
Want hier is wat aars te quicken, Als te vooren onse puys, En te vegen 't Somer-huys, Dat mach onse Meyt beschicken,
Maar daar moeter twee na bedt, Hier en dient geen deughd' belet.
Dies wilt dan het reyen staken, Jonghe luyden scheyter uyt, Speulgenootjes schort de Bruyt, En vol-voert u seven saken, Spoedt u, doet; met kleyn ghewach Als ghy woudt dat u geschach.
Wilt de Bruydt niet langh bewaren, Want den Bruygom is gereet, Schorter wat an 't onderkleet Laat hem dat met Claartje klaren, 'k Wed dat hy 't veel beter klaart Oft ghy met u thienen waart.
Nu vaart wel vereende Menschen, 'k Wensch u t'samen soo veel spoet, Soo van aardsch' als Hemelsch' goet, Als gh'u selven kunt toe wenschen; Hout mijn Gunst in u Gedacht, Daar mee seg ik goede-nacht.
Stuer Recht.
Jan vander Veen.
Cookies on Poetry Cove