Appollo.
Ik neem dees heusheyt an, waar van de tydt sal melden,
En blasen haar trompet van 't dankelyk vergelden.
Anhoor dan, dit's myn wensch, en innerlyk begeer,
Dat uwe Poëfi een Bruyt en Bruydgom eer:
Siet, Anna heet de Bruyt, met toe-naam Appeldoren,
Die tot haar Bruydegom Jan Struckel heeft verkoren.
Ghy Nimphen, paar en paar, sult singhen met u tween,
Tot Beelt'nis dat dees twee nu zijn gheworden een:
Dat elk sijn rijm en sangh stel op besond're thoonen,
De vremdigheyt van 't werk doet vaak den Meester kroonen,
Oft som daar in verschuylt wel scheve lamme le'en,
Wat ongemeens verschoont, men sieter over-heen.
g'En sult alleen de Feest tot vreughde niet verwecken,
Maar tot gedachtenis dit lieve Paar ook strecken,
Wanneer na dese tydt ('t welk Gode laat gheschien)
Sy, dit haar Feest-ghedicht, Kints-kind' ren laten sien,
En raken uytter asch de diepe ouwe vonken,
Her-denkend' eens haar jeughd, en lodderlyke lonken:
Nu dan, eer tijdt ontslip, elk voegh sich paar en paar,
En singhe dat 't geluyt noch klinke menigh Jaar.