Skip to content
1637

Over-zeesche zege en bruylofts-zangen

Jan Veen

Zegen vvensch tot de nieuvv' gehouvvde.

WEl Musa wat is dit, wat hebt ghy voorgenomen, Wat hebt ghy in u sin te temen van mijn dromen, Te temen van mijn dut en wonderlyk saatsoen, Wat heeft een ander met dees voddery te doen, Maar wilt na uwen aart met soet geseyde reden, Met soete koosery tot dese Liefjes treden, Tot dese segh ik die nu heden desen dach Gestrikt zijn mette knoop, die niemandt breken mach, Die niemandt dan de doodt, en 't geyl onkuyssche minnen, Kan ryten van malkaar, wat taal sal ik beginnen, Wat luk, wat heyl, wat vreucht, wat zegen-rijke spoet, Sal ik dit lieve Paar doch wenschen voor een groet, Och! gingh het na mijn wensch, den Hemel en de Aarde Die schonken haar een gift van ongemeene waarde, Van ongemeene schat, van ongemeen cieraat, Een gift, die alle gift, van gaaf te boven gaat, Dat is, gestade vreucht, en vrede hier beneden, Soo lange sy 't gebouw van 's werrels rondt betreden, O! Heerscher groot van macht, laat dit alsoo gheschien, Ja langer, tot sy haar kints kind'ren moghen sien,

En wyders, als de doot haar 't leven komt op eyssen, En haar volsponnen draat sal snoeyen met de seyssen, Die niemant niet en mijt, die niemant en verschoont, Dat sy hier naemaals dan, in eeuwicheyt gekroont Met ongehoorde vreucht, gestadich moghen wesen, Mijn wenschen is nu uyt, geen grooter wensch als desen, Vaart wel ghy lieve twee, vaart wel gemaakte een, Vaart wel getrooste paar, ik wil gaan treden heen, Ik wil gaan treden by de soete harte diesjes, En vragen na de staat van heure soete liefjes.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.