Skip to content
1637

Over-zeesche zege en bruylofts-zangen

Jan Veen

Vermaan en Heyl vvensch tot de Nieu Getroude.

Nu dan goet ront goet zeeus en sonder kromme sprongen, Op d'ouwerwetsche wijs eenvuldigh sonder Gal Stel ik mijn Rymery, ik bender toe gedrongen, Javaanse Poëzy versta ik niet met al. Met korte reden dan, wil ik 't Geselschap eeren, Maar twee alleen is 't wit daar hier op wort gedoelt, Die ik voor al begroet, daar ik my toe wil keeren, Holla eer ik begin, eerst eens den Mont gespoelt. Ghy die u groene Jeught vlecht t'samen als de ranken, Soo lieffelyk gekrult, soo vriendelyk verwart, Den Zegen u bestort van die my moeten danken, En loven alle tijdt en dragen in ons Hart, Den gever alles goets, den Bou-heer aller dingen, Die alle onse doen heeft steets voor sijn ghesicht, Wil sijn genadich Oogh door Swergh' en Wolken dringen, En stralen in haar Hart sijn Goddelyke Licht, En bouw' in haar gemoet sijn rechte Woort en Waarheyt, Syn overgulde Leer, syn soete Jok, en last,

O Heer, die ghy beschijnt met dees' voorseyde klaarheyt, Die woont in u, en ghy blijft in sijn Harte vast. Woont dan O groote Godt in dese, die uyt Minnen, In dese die uyt Liefd'zijn nu geworden een, Een Lichaam, dubbel Ziel, ook somtyts dubbel sinnen, Dat is tot daar en toe: men weet wel wat ik meen, Des Hemels Borgery laat stadich by u blyven, O welgevoeghde Paar: dats, Liefde, Trouw', en Vre, Dat is de Basalisk van twe-dracht en van kyven, Geluckich is het Huys, daar Vreed' heeft hare ste, Geluckich is het Huys dat nummer is beslommert Met Slangen broetsel, of, de swarte Helsche nijt, Daar sich soo wel de Man, als ook de Vrouw'bekommert, Om Liefdes weder-loon, O lieffelyken strijt! Wat doet de lieve Vrient voor vrientschap sijn Vriendinne? Wat doet ook de Vriendin voor vrientschap haren Vrint? Sy dient hem, hy haar weer, hy noemtse Coninginne, Sy heet hem wederom, mijn Heer, mijn Lies, mijn Kint, Sy prijst hem boven haar, en sy wort weer ghepresen Van hem, dat sy in als, veel waarder is als hy, Seyt sy dan wederom, myn Lies hoe kan dat wesen, Hoor, hoe dat hy af-beelt sijn lieve Liess waardy, Den Mandie is gemaakt (seyt hy) van enkel Aarde, De Aarde die wert Vleys, en eelder door't gebouw', En 't Vleys word' andermaal gepujrt tot groter waarde, Gepuirt tot daar af quam een overschoone Vrouw', Wiens tedere Natuir genoeghsaam kan uytwysen. Door haar beschaamde Aart vol vrees, vol schrik, vol schroom, Haar groote achtbaarheyt, die ik niet kan vol prysen, Daar wy zyn rouw en hart, onschamel sonder toom, Sie wat-het eene Cout by't ander sal verschelen, Het weekste heeft de prijs, het slechste dat is hart,

De Vrouw' die overtreft de Man in vele delen, Sy lydet vaak verdriet daar hy is sonder smart, Siet hoe sy hobt en tobt, haar hart is vol medogen, Sy stilt haar tere Vrucht die sy sorchvuldich hoet, s'Is Moeder, Voester, Vrouw', wiens Borsten veel vermogen, Waar uyt een Nestar vloeyt dat kleyne menschen voet, Och! oft ghy met u tween gestadich soo krackeelden, Eersame Bruydegom, met dijn eerwaarde Bruyt, Dat sy u als een Heer, ghy haar als Voocht af-beelden, Daar sulken Oolloch is, verkrijghtme schoone buyt, God geef't geschie alsoo, gewis hy sal't soo voegen, Soo ghy u selven voeght tot hem met goet op-fet, Voegt God den Mensch'te saam', hy voegt ook het genoegen, Indien gh'u voeght tot hem gestadich in 't Gebedt. De nummer staande tijdt gebiet my in't besluyten, En seyt, wenscht dese twe 't luk dat ghy wenschen kunt, Dies wensch ik u te saam, O Nieuw' Gehouw'de Sprayten, Alsulken spoet en heyl, als ghy u selven gunt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Over-zeesche zege en bruylofts-zangen · Jan Veen · Poetry Cove