Rey van de Iongh-mans.
Na de stem: De pijn van Thyrcis is verdwenen, etc.
WIe kan de Maaghdom bet besteden:
Als die, die beter daar voor kieft?
Wie kuyschlijk trout, 'tbestaat op reden,
De Maaghdom nemmermeer verlieft.
Lof, O Echt, lof nieu Getroude,
Lof reyne Liefd', lof nieu Gehoude.
Maaghden.
Wy Maaghden geven eer
Dees Twee, die in den Heer
Soo deuchtsaam zijn gebonden,
Soo minnelijk verpandt,
Een Sallef en Verbandt
Tot hare soete Wonden.
Iongh-mans.
O soet gebind', wiens sachte banden
Beteugelen de brose lust,
Betemmen sond', betuchten schanden,
d'Aanvechters van der vromen rust:
Lof, O Echt, lof nieu Getroude,
Lof reyne Liefd', lof nieu Gehoude.
Maaghden.
Ghy soet geboeyde Twee,
Gods segen, heyl en vree,
Door-adert vol genaden,
U beyder Zielen voet,
En harnaft u gemoet
Tegen het spits der quaden.
Iongh-mans.
Na dien den tijdt gebiedt te scheyden,
Soo wenschen wy u beyde t'saam,
Dat Godes Geest u wil geleyden:
Hier mee vaart wel in 's Heeren Naam.
Lof, O Echt, lof nieu Getroude,
Lof reyne Liefd', lof nieu Gehoude.
Maaghden.
Wat een Godvreesend' Mensch
Begeeren kan nawensch,
Dat selve wy u wenschen.
Dies seggen wy voor 't socht,
Genade jon u Godt,
En vrede hier de Menschen.
Stuer Recht.
J. vander Veen.