Den Geestelijcken Harder.
ONtwaakt, ontwaakt, ontwaakt, Den dageraat genaakt, In 't Oosten sietmen blosen Des Hemels rode Rosen, Den frisschen morgen stont, Met haar couralen mont, Met haar robijnnen kaken, Omhangen met scharlaken, Vergangen is den nacht, U leytsman staat en wacht, U harder u behoeder, Wil u verschaffen voeder, Treet uyt u donck're stal, Ghy kleyn en groten al, Het is te lang geslapen, Vervoeght u by mijn Schapen, Mijn uvtverkoren schaar, Ik ga, kom volgh my naar, En ik sal u geleyden, In lieffelijke weyden, In lieffelijk gewas, In 't klaverige gras, By soete water-beken, Gansch niet sal u gebreken, En dwaalt niet vanden pat, (Al is hy smal en glat,) Ter recht of flinker zyden, Sie ik wil u bevryden, Vertroosten inden druk, Van eeuwigh ongeluk Sal ik u wel behoeden, Om niet wil ik u voeden, Met levendigen drank, Tn eeuwigheden lank, En sal geen dorst u schaden, Mijn drank is van genaden, Mijn spyse niet versmaat, Geen soete honigh-raat Is daar by te gelijken, Wilt u daar me verrijken, Dit wort u angeboo'n, Geen Cepter nochte Croon, Alhier op deser aarden, En is van sulker waarden, Dus Iuyster na mijn woort, Bewaar het geen ghy hoort, Kies voor de doot het leven, Het sal u zijn gegeven, Des zijt ghy uytten noot, Eu leeft al waart ghy doot.
HEt Geestelyk voor al is noodigh te betrachten, Het tydelyk vergaat, het eeuwigh moetmen achten, Het eeuwig' is een stijl daar 't tydelyk by bestaat, Den vromen sachmen nooyt gaan beed'len by de straat, Wee die het tijd'lyk mint, wee dwafe slechtigheyt, Soek Godes rijk voor al en sijn gerechtigheyt, En wat u is van nood' dat werdt u toe geworpen, Wat baat de heerschappy van Landen, Steden, Dorpen? Wie eetter meer als zat, wat kanmen voor de kouw', Sich dossen meer als wel in 't wol, in 't bont, in 't rouw', Niet op de Fransche wijs met lange sne'en door-hackelt, Wel eertijts doe ik eens myn trouwtjen had verquackelt, En past' ik op geen munt, noch op geen Crefus slijk, Ho, ho, my docht ik was Graat Maurits veel te rijk, 't Genoegh is meer als veel, niets over-treft 't genoegen, Soo-danen rijkdom wil den Heer u beyde voegen, De rijkdom en bestaat ook niet alleen in 't goet, Maar inde telingh of vermeerderingh van bloet, Dies teelt dan met u tween soo vele erfgenamen, Gelijk ik by geschrift alhier u stel met namen: GRietje, Pietje, Jaapje, Joris, Lijsje, Gijsje, Fransje, Floris, Neeltje, Beeltje, Claas, en Trijn, Dat is effen een dosijn, Sulke twalef Olijf-spruyten, Souden wel een moes- pot snuyten, Met sijn smerigh ingewant, Dat sich Va'er noch Mo'er en brant, 't Mach wel heeten disch vercieren, 'k Eet veel liever met mijn vieren, Neen die hoverdy is krank, Langh van fop maakt schralen drank, En veel varkens dunne spoeling, Groot gesin, geest groote woeling, Doch wat Godt den Heere doet, Moetmen houden staagh voor goet. VAart wel geboeyde twee, die op den dagh van heden Gemaakt hebt een verbont met hand' en mont, om reden Dat onsen Bruydegom wou myden geyle brant, En onse Bruyt om hem te helpen in dien stant, Vaart wel, seg 'ik, vaart wel, Godt wil u beyden t'samen Gebenedyen hier, ook eeuwighlyken, Amen.
Cookies on Poetry Cove