Op de stem:
Lof-sangh Maria.
EY Bruyd'gom neemt int goe,
Dat ik dees' leringh doe,
Als wijfer t'onderwijsen,
Doch ken ik u te recht,
Al waarfe noch soo slecht,
Ghy foutse lijkwel prijsen.
De gunst volvoert de daat.
De liefd' en siet geen quaat.
Sy duyt het al ten besten,
Doet soo met u vrindin,
In stage trouwe min,
Van 't eerste tot den Iesten.
Doet ook soo met u vrint
O Bruyt weest eens gesint,
Doch niet soo blint van ogen
En weest, dat ghy het quaat,
Dat een van tween mis-staat,
Vrywilligh fout gedogen.
Gebedt.
O Schepper groot van macht,
U Goddelijke kracht
Laat ons gebedt bewegen,
Wy bidden met ootmoet,
Geest toch in overvloet
Dees nieuw Gehouwde zegen.
Verrijk haar met de deugnt,
Vercier haar jonge jeught
Met een Godt-vresend' levev,
De vruchten van dit paar,
Wilt minder niet als haar
Gebenedyding geven.
Spijft hare zielen met
U Goddelijke Wet,
Dat bidden wy u t'samen,
En als sy zijn volleeft,
Door u genade geest
Haar 't eeuwigh leven, Amen.
Stuer Recht.
J. vander Veen.