Schaduvve.
NA dat de frissche Lent sich lieff'lyk ging verschuylen In Ceres Vaderlandt, of in de zuyder kuylen, Of daar de Jacht-Godin gemeenlyk baden komt, Ons latende tot sooy, veel kruyden en geblomt, Veel onder-aardsch gewas, veel vruchten half geboren, Veel jong en dartel vee, en boven al het Coren. Na dat de koele Mey vertroeken was niet wijt, Op eennen morgen-stondt, op 't soetste vande tijt, Dat door het yssels kleet met Rosen en Robynen, Omhangen met Couraal de dageraat quam schynen, Die my (alst vaak gebeurt) noch in het leger vondt, En sprakeloos gewekt met haren rooden mondt, En soo het scheen, verweet my't sluymerige rusten, En prees de wackerheyt, ontluyker vande lusten, Verquicker vande Geest, de zayer vande kunst, De leydsman vande deughd' en aller vromen gunst: Den angenamen dagh gaf reden my te reppen, Om buyten inde lucht den adem te verscheppen, Te varschen het gemoet, te wackeren de le'en, En 't ooge te verza'en, dus ging ik my vertre'en, Nu hier, nu daar, int gras, by lommerige bomen, Soo om, en weder-om, ten lesten, by de stromen, Die onse Anze-stadt maakt rijk en dubbel stark, Van schatten onbenoemt, of eenigh bollewark, Niet verre vande Grife die Drusius deed' spitten, Daar sach ik op de hooght' een grooten Arent fitten, Een Arent, die soo 'k heb wel voor en na verstaan, Geen Duytschen Ad'lervreest, noch Koekoek van Maraan: Een Arent wel bedaacht, ontrent de veertich Jaren, Tot vliegen wat te log, maar wackker om te paren,
Als Jovis Adelaar in Venus beugel baan, 'k En sach sijn sprongen niet, maar wel een statigh gaan, Ik liet hem daar hy was, en gingh na Jan-ooms keuken, Vermits een grage fous my deed' de mage jeuken, Een weynigh tijdt daar na gingh ik den selven keer, En vond' ook ander-maal den selven Arents we'er, Doch niet in sulken staat gelijk hy was voor desen, Maar jeuchdigh van gelaat, van gangh, van aart, van wesen, Van wieken en van als, heel cierelyk int oogh, Sijn vlucht was even eens gelijk hy eertyts vloogh: Dewijl ik met noch een dit wesen over-leyde, Quam daar den derden by, de vierde ook, die seyde, Het gene dat ghy siet heeft syn volkomen standt, De minne maakt hem groen, van min den Arent Brant Des Arents snel gesicht bestrijt het licht der Sonnen, Maar dese, van de schijn sijns Liess is overwonnen: Geen Arents ooge van der Sonnen ooge smart, Maar dese, door het oogh krijght stralen in het hart: De Adelaars de lucht en vlucht in 't wilde wenschen, Maar dese kieft het gaan, dc aard' en tamme menschen. Hierom myn vrienden, die ghy ginder fitten siet, Gelooft my vry te recht, dat's Davids Arenr niet, Maar soo het u gelieft myn goede mee-gesellen Sit neder in het groen, soo wil ik u vertellen En helpen uyt den droom, en seggen wat het is, Want 't gene dat ghy siet is een gelykenis.
Cookies on Poetry Cove