Skip to content
1637

Over-zeesche zege en bruylofts-zangen

Jan Veen

Triton Jansen.

EEn Grendel half vereeuwt, van Spaansche Roeft beslagen, Die self der Goden Smit niet sou t'ontsluyten wagen, Dat waachden onsen Mars, en gaf soo wacker vonk, Dat d'Echo in het oor der Roomsche Goden klonk, Saturnus van Madriel, en Jupiter van Wenen, Die sonden daar in ijl den vochten Triton henen, Die quam in korte wijl weer op sijn oude grondt, By tijts en wel te pas soo quam hy daar hy 't vont, Ik meen den Water-man den fellen Triton Jansen, Die inden Mossel-hof de stinke-pas kost dansen, Dien Visscher achter 't Net, die quam hier uyt den Pals, En proefdent op de Maas op dat hy 't kost van als, Hem docht hy sou nu bet de wilde Gansen temmen, Om dat hy kent de Zee en Meester is van 't swemmen, Hy is Neptuni zoon, en Doris naaste bloet, Gedoopt in 't selve nat dat Venus heeft gevoet, Dat vele van sijn maats soo gulsichlyk in-fogen, Ten eynde sy daar van gefoute zielen spogen, Waar van de pekel soo in Charons Schuytje droop, Dat hy door 't selve lop ten naasten by versoop, En had' hy niet gehooft den flocker waar verdronken, En met sijn lichte vracht in Styx te grondt gefonken, Den Veerman gaf een vloek, met dat hy heeft gestrandt, En sey loop voor den Droes weer na sint Anne-landt, Dat was, daar Triton sich by Glaucus had' begeven, Doen hy door Martis dwang most deur de Modder streven, Ik seg, dus komt het by dat hy de stromen kent, De diepte en de droocht' der Meiren is gewent, Dus heeft hem dit verstout de Maas ook te bevaren, Hoe wel dat daar ontrent veel wilde dieren waren,

Soo haast en was hy niet gekomen op het nat Of hem en quam terstont een Otter achter 't gat, Een Otter Leeuws gewijs, en heeft soo troef gegeven Dat meest sijn Water-volk als meule-steenen dreven, Ik meen dat hem dit meer als van Vrouw Venus speet, Doe hy om harent wil 't lit van sijn vinger beet, O Zee-man kost u doe een beuseling soo spyten, Soo vrees' ik dat ghy nu sult groter stucken byten, Ey lieve seg my doch (dit schiet my inden zin) Geest Mars den heetsten brandt, of Venus de sottin, Ik denke dat het Mars in desen noch sal winnen, En dat sijn troetelen verkoelen kan het minnen, Dan Triton weet het best, hy is in als versocht, Te vryen op de droocht', te baden inde vocht, Te huych'len inde Kerk, te weyfflen met de Veysers, Te drayen na de wint, dan Geus, dan Spaans, dan Keysers, Hy vaart, hy rijt, hy loopt, hy swemt, in sout en soet, Int kort, hy is ter handt, als Jan Potagies hoet, Na dat hy was bedaart soo ging hy sich bedelven, Doe kreech hy moet, en ook de brodfe van hem selven, Hy paste op niemant niet, 't zy Engels, Waal of Schot, O broek 't is sulken haan, want hy en acht geen Godt, Daar lach hy stil en mak gedoken inde Schelpen, Verwachtende Vulcan, die sou hem over helpen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.