Rey Van d'Over-Ysselsche Jonckvrouvven, Tot lof van de Bruydt.
Op de stem: Si tanto gratioso.
ANna cieraat der Maaghden
Van u deughtrijke Faam de Nimphen singen,
VVe-sick, die oyt mis haachden
U gaven, schoon van ongemeene dingen,
Dies uwen roem,
O suyver bloem,
Reykt wijder dan de wolken,
Die hier beneden
Wert lof'lijk aangebeden
Vande Volken.
De Maaghden truirich rouwen,
Om dat ghy wilt haar soete gilt verlaten,
En wederom de Vrouwen
Verheugen sich in blyschap boven maten,
Om dat sy weer
Der Maaghden eer
In haren staat verkrijgen,
Dies sy u groeten
'Eerbiedighlijk ontmoeten
Ende nijgen.
Doen kintf heyt vloot de jaren,
Die u vernuft soo wijsselijk inhulden,
Vervreuchden haar de scharen,
Siende de zeeden die u le'en vergulden,
En blyde geest,
Die ghy beweest,
Daar vreughde plach te wesen,
En by den droeven
Soo stijlde na 't behoeven,
Gansch u wesen.
De zeegenrijke stralen
Die u den Hemel gaf soo uytgelesen,
Die liet ghy weder dalen
In d'arme schoot der weduwen en weefen.
Een spiegel voor
Den vrecken Door,
Oft gierige baat-soekers,
Die niet en denken
Dat nutter dees geschenken
Zijn als woekers.
Hier uyt is licht te merken,
Dewijl ghy weet het onderscheyt der dingen,
Wat vrucht van goede werken
Ghy inden Echt behoort en moet volbringen,
Hierom soo doet
Na u gemoet,
Gelijk wy al te samen
U toe vertrouwen,
Voor al op God wilt bouwen
Eeuwigh, Amen.