Knie-werck, Op de Vraghe: Wat vvysheydt meest tot Lof de Reen-Vrou baren kan? DEwyl 'tLevender vvit, hier uyt Levender Ionst Vraeght de Ghenoten al, die inde Redens-Konst Haer verthoondende zijn. In't Amstelsche Parnas
VVat vvysheyt meest tot Lof de Reen-vrou 'tbeste was? Vermits de reden meest deur veel onreden groot Dickmael ghelastert wort, en lydet veel aenstoot Van Momus en Mydas, en alle die Reen haten,
En oyt hebben ghehaet. O reden boven maten, Voorsichtigheydt in al is u een gulden Croon, So de Wyse Man zeyt, zy maeckt u ciersel schoon, Want de voorsichtigheyt beschut den Mensch voor't vallen,
Soo dan de Reen-vrou baert voorsichtigheydt in allen, 'T welck groote wysheyt is, en daermen lof van krijght, Die vande Aerden af tot inden Hemel stijght, En climpt van trap tot trap, dus ghy Redens-Vrous-Kind'ren,
Die hier voorsichtigh is, niemandt en sal hem hind'ren, Voorsichtigheyt is Deught soo Aristoteles schrijft, En Deught voorsichtigheydt, al ist datmen wel kijft Om Lof, prijs, onderdient, dus d'onvoorsichtigheydt
En is gheen wijsheyts-lof, soo als vooren ghezeydt, Maer die voorsichtigh leeft, hier uyt jonsten begreepen, Baert hem selven een Lof, dus segghen onbeneepen d'Goudsblom, dat d'Reen-Vrou meest Lof en wijsheydt kan baren
Deur voorsichtigheyt al met Reden te verclaren. Wt jonsten begreepen. Cloeck-moedigh strydt.
Cookies on Poetry Cove