Uyt Engeland, den 17 Mey. Onse Burgery, met hoopen, Siet men op en neder loopen d' Een met Myrth en Maagde-palm, d' Ander maakt een soete galm. Nu die vreugt komt ons te vooren, Dat wy blijde tijding hooren, Hooren het menschelijk geslacht, Noch al na het teelen tracht. Beek wil Bakkers oven-spoelen: In de nieuwe witte doelen, Met geen Spaanse Wijn noch Mee; Maar met witte Blamange. Of de Wijn te veel mogt bijten, En de Mee de grond doen slijten, Geeft de Blamange naa kracht: Die het alles weer versacht. Bakertje is wel te vreden, Nu sy krijgt; en 't is ook reden, Van dees handelaar in wol, Dagelijx haar buyke vol, 'k Wou niet dat wy onse wijven Mosten met die maat gerijven: Doch sy krijgen mee haar deel, Al is 't juyst om niet soo veel. Soo wy haar het lijf vol parsten. Mogten sy aan stukken barsten; Dat ons seeker, lieve Vriend,
Voor het eerst noch niet en dient. Doch ik mach dit laten varen, En sien of ons' Borgerscharen Haast met Peerel en Robijn, En met 't Kroontje veerdig zijn. Dat ik, om in haast te enden, U met desen toe sal senden, Toegemaakt van vrolijkheyd, Dat haar hier word toegeseyd Van nu tot in eeuwigheyd, AMEN.
Cookies on Poetry Cove