Skip to content
1738

Het toneel der snaaken

Jan Pietersz. Meerhuysen

Uyt Bethlehem, den 17 dito. De Priester van dees' plaats sal naa de middernacht. Toekomende de Hel, waar dat hy word verwacht: Inwyen, en hy sal op bey sijn knyen kruypen En ellebogen, of hem yet wat mogt ontdruypen. Van 't water, dat expres hier toe geheyligt word. De wy-quast, eerste gedoopt daar 't Maagdewater stort. Sal 't Helletje daar voor met Room en Melk bedouwen, En 't Boek des werelds van twee Bladeren ontvouwen.

Waar dat hy maar alleen in stilte lesen mag. Wat Venster 't was, waar door hy eerst de werelt sag. En als dit is gedaan met yver en met lusten, Soo sal hy, afgemat, hier na eerst mogen rusten: Want so hy ruste eer hy dit had afgedaan, Soo sou hy 't Priester-ampt straks weer af moeten staan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.