Uyt Saalwijk, den 16. dito.
Hier is een throon gemaakt voor drie der schoonste Juff'ren,
Die yder, die hier komt, veel woorden op moet off'ren:
Waar in begrepen word 't geluk dat elk een gunt
Aan die, daar d' Overste het meest op heeft gemunt
Om 't approcheeren, maar die haar hier 't langst vertoonen,
Sal men voor eerst in dit Tournoy-spel nog verschoonen
Tot op een ander tijd, God geef haar goeden nacht,
Die d' eerste steek der Speer in dit Tournoy-spel wacht:
En dat uyt dit gevegt, dat niet en is te sluiten
Eer 't jarig is, twee jonge Campioenen spruiten,
Waar van dat elk voor sich, eer dat hy oud wort, leer,
Gelijk als dese twe, 't hanteren van de Speer.
God geev' haar veel geluks, en hoede haar voor rampen;
Dat sy noch hondert jaar te samen mogen kampen:
Want al de lust, dewelk' de Ridders daar toe port,
Is dat men kampt, en noyt door kamp gedood en word, &c.