De bewaarschool.
De bewaarschoolIets van de voorstelling is ontleend aan het Italiaansch van Silvio Pellico..
I.
Mijn moedertje laat, elken morgenstond, ('k Schrei dan van honger vaak reeds en van koû) Opdat ze een stuksken brood verdienen zou, Mij eenzaam in ons huisje, op naakten grond!
Dan wascht en schoonmaakt zij, bij goede liên, En werkt en ploetert tot den avond toe; - En keert, met karig loon en doodlijk moê... En kan mij slapend soms eerst wederzien.
En eenzaam zit ik zoo, den 'heelen dag, Verkleumd en hongrig - met een droevig hart; En niemand troost me een weinig in mijn smart, Of geeft me een vriendlijk woordjen of een lach.
II.
En zie! daar keert de Moeder weêr, (Vermoeid wel; maar een lach in 't oog!) En roept: - dank nu ons' lieven Heer, Mijn kind! en kijk eens bl omhoog; Kom in mijne armen... aan mijn hart!... Och! 't deed me altoos zoo'n bittre pijn, Wanneer gij zoo alléen moest zijn; Maar nu - geweken is die smart!
Straks kwam ik langs het gindsche plein En hoorde daar een zoet gezang, En zag er kindertjes (zoo klein Als gij, maar blozender van wang); Zij speelden in een groote zaal, En dansten vrolijk op de maat; En zongen in de zoetste taal, Zoodat het klonk door 'heel de straat....
III.
Liedjes.
1.
Wel allerliefste Moederlief, Hoe vindt ge nu uw hartedief? Zijn wij niet prettig hier gezeten? We zingen hier, - we springen hier, En leeren, louter voor plêzier, Wat kleine kindren mogen weten.
En ô! daar ginter... dacht ge 't wel! Daar is een kast met menig spel En allerhande mooije zaken; ô Als u die eens open zag... En hoe de kinders, alle dag, Wanneer ze zoet zijn, zich vermaken.
Toch zitten wij als muisjes stil, Als jufvrouw ons vertellen wil Van menschen, dieren, planten, boomen... Och, Moederlief! wat ben je lief, Dat u je kleine hartedief Op zoo een prettig school deedt komen.
2.
Och, Moederlief! och, als gij wist Wat hier uw kinders leeren, Gij zoudt nog éens zoo dankbaar zijn Die dames en die heeren! En onze goee jufvrouw dan, Daar hield gij éens zoo veel nog van... Zij leert ons u beminnen!
Neen denk niet, als wij 's morgens vroeg Zoo hard naar school begeeren, Dat wij des avonds minder graag Weêr naar ons huisje keeren; De jufvrouw zeît: 'mijn lieve kind! God zegent, wie zijn ouders mint!' Zij leert ons u beminnen!
Och! als we groot geworden zijn, Dan zullen we alle dagen Voor u, met dubble liefde en vlijt, De teêrste zorgen dragen. - Hoe ons jonk hartje 't bèst u eert, Dat hebben wij op school geleerd... Zóo zullen we u beminnen!
IV.
En toen ik hoorde naar 't gezang (En schreide en lachte te gelijk) Kwam daar een dame, mooi en rijk Gekleed - naar voren in den gang; En zeî: wat staat ge daar, en wacht? Waarom uw kind niet hier gebragt? 't Is een bewaarschool hier - tot troost En hulpe voor der Armen kroost; Als de ouders 's ochtends werken gaan, Dan brengen zij 't klein volkje hier, En halen 't 's avonds hier van daan: En 't heeft den 'heelen dag plêzier! Het wordt er kostlijk opgepast, Het wordt gezond en vroom en bl, 't Geeft de' ouders lust in plaats van last; En wat het leerde, hoordet gij! Kom, wijfje! kom - breng ons uw kind! Opdat, als gij uit werken zijt, 't Hier spelen moog'... zoolang uw vlijt Voor beiden 't sober kostje wint!
'Ja waarlijk! ja, dat zal ik doen! Heb dank voor dat gezegend woord!' Zoo riep ik; en ging ijlings voort!..
Kom, lievert! geef me nu een zoen! Wees vrolijk, kom! wees blij te moê, Want mòrgen gaat ge er reeds naar toe!
V.
En naauwlijks is een maand voorbijgegaan, Of ieder vraagt: is dàt hetzelfde wicht? - Zie! wat een blos van welzijn op 't gezigt, Zie, wat die oogjes klaar en helder staan! De wangetjes zijn nu gevuld en rond, Een vriendlijk lachje speelt er om den mond, 't Gaat 's ochtends graag naar school... en 's avonds weêr Al even graag naar huis; en mort niet meer, En mint en kust zijn Moeder dubbel teêr; - En dankt en prijst het méest ons' lieven Heer!
VI.
'ô Laat de kindren tot mij komen!' Zoo spreekt de Heer, in zijn geheiligd woord! - Wat toeft gij dan, gij Magtigen en Vromen! Hebt gij die stemme niet gehoord?
Komt! - dat uw zorg zich tot de kindren keere Als gij dat woord der liefde hebt verstaan: 'Al wat ge aan éen van dézen hebt gedaan, Dat deedt ge aan mij, uw' Heiland en uw' Heere!'
Geeft, geeft!... opdat het schreijend kroost der Armen, Dat opgroeit tot verderf en dood, Een toevlugt vinden moog' in nood, Als gij, in liefde, u zijner wilt erbarmen; Geeft, geeft!.. opdat der moeder droeve mond, (Gereed tot vloek bij zulke ellende) In dank en lof tot God den Heer zich wende, Als ze Uw barmhartigheid verkondt.
Geeft, geeft!... opdat uw eigen huis gezegend, Uw eigen kroost gezegend zij, - En, als Gods gunst op uwe velden regent, Een zonneschijn uw' oogst verblij'! Geeft, geeft!... opdat Gods rijk op aarde kome En liefde en wijsheid ook den Armste redd'... Is de aalmoes niet de zuster van 't gebed?(Victor Hugo). Wat toeft gij dan, gij Magtige, gij Vrome! -
Neen! toef niet langer... neen! schep allerwegen, Voor hen die eenzaam, arm, ellendig zijn, Zoo'n groene plek in 's levens zandwoestijn! En weet: - de stemmen dáaruit opgestegen, Het vrome lied uit teêdren kinder-mond, De blijde harten die, gered, dáar juichen, Zij zullen eenmaal, in uw jongsten stond, Bij 's Heeren Regterstoel voor U getuigen!
Cookies on Poetry Cove