Morgenzang.
God! in Uw trouwe hoede en wacht
Heb ik gerust den ganschen nacht,
En hef nu met een stralend oog
Mijn blik, naar 't zonlicht aan den boog.
Waarheen ik zie, langs berg en dal,
't Is zegen, zegen overal; -
Zoo stroom' dan ook, met blij geluid,
Een lofgezang ten boezem uit.
Geef mij, ô Heer! het grootste goed:
Een vrolijk hart, een vroom gemoed,
Een wil tot deugd, een schrik voor kwaad,
Een ziel, die zich op U verlaat.
Komt dan mijn uiterste avondstond,
Dan zing ik nog met hart en mond:
'Legg' mij de dood ter ruste neêr....
Ik ken Uw morgenlicht, ô Heer!'