II.
Maar neen!... de Kindren suffen
In 't dompig huisbestek,
Of zitten droef te muffen
In 't lage en duffe schoolvertrek;
Alsof 't een marmerbleeke schaar
Van beelden waar'.
Naar buiten, och, naar buiten!
Waar 't nat springt langs den steen,
Waar alle vogels fluiten...
Zendt, Ouders! dáár uw kindren heen:
Alsof hun stoet een dartle schaar
Van beekjes waar'.
Ei! zie dan, hoe ze blozen
En bloeijen vol van lust
En stoeijen in de rozen,
Door licht en lucht en geur gekust,
En zie hunne oogjes, rein en klaar,
Of 't bronnat waar'.