III.
De Vader kwijnt, verlaten,
In stille droefheid heen;
Wat zou hem 't leven baten
Zoo treurig en alleen....
Toch wil hij duldend dragen
Des Heeren welbehagen.
En 's nachts, in stille droomen
Op 't eenzaam ledekant,
Ziet hij de Moeder komen
En 't knaapjen aan haar hand:
Zij kussen van zijn wangen
De tranen die er hangen.
En fluistren bij het scheiden,
In hemelzoete taal:
'Wij blijven U verbeiden,
o Vader en Gemaal!’ -
En met ootmoedig smachten
Blijft Hij Zijne Englen wachten.