II.
Wel op dien dag, na zeven jaar,
Vlocht zij zich bloempjes in het hair:
- Nu komt mijn Liefste trouw en goed,
Ik ga verheugd hem in 't gemoet. -
En toen zij kwam in 't groene woud
Sprong daar een ruiter uit het hout:
'Zoo eenzaam u in 't bosch gewaagd?
En zeg, wat schreit ge, zoete maagd?’
- Ik schrei, dat ik mijn beste vrind
Na zeven jaar niet wedervind! -
'Ik reed pas gistren door een stad,
Waar, wie U trouw zwoer, Bruiloft had!’