II.
Door wingerdloof omhangen
Zit in haar kleine tuin
Een vrouw, met bleeke wangen
En lang vergrijsde kruin;
Verdoofde ook zorg en smarte
Der vriendlijke oogen glans....
Toch drukt Zij aan haar harte
Mijn tweeling-rozenkrans.
En - in gepeins verzonken
Denkt zij aan 't kinderpaar
Dat God haar had geschonken
Voor menig, menig jaar;
Denkt ze aan mijn lieve Zuster,
De lelieblanke roos,
Die reeds voor de Aard - zij rust er...
Den hof des Hemels koos.
Denkt ze aan den wilden jongen
Die haar zijn rozen bood
En... stil door 't loof gedrongen
Nu neerknielt aan haar schoot,
Of zij (met vroom verrukken)
Hem, thans haar éénig kind,
Aan 't moederhart mogt drukken
Dat Hem het méést bemint.