IV.
Drie maanden zijn vervlogen!...
Daar gaat, zoo vroom te moê,
Het hart vol zaalge weelde,
Een Paar naar 't kerkje toe.
En toeft een wijl op 't plekje,
En vouwt de handen zaâm,
En lispt, in dank en liefde,
Des goeden Meesters naam! -
De bruigom draagt in 't knoopsgat
Een volle witte roos,
Terwijl, als eier der lokken,
De bruid een roode koos.