III.
De Jonker vliegt naar 't hooge slot
In davrenden galop,
Hij klopt niet aan den ijzren ring,
Maar loopt de poortdeur op'.
'Och, Moeder!’ sprak vrouw Adelheid:
'Wat ziet mijn Heere fel!
Wat of zijn toorn wel stillen mag,
Wat stilt zijn gramschap wel?’
De moeder nam al uit de wieg
Het kindelijn zoo zoet,
En droeg het op hare armen heen
Den Jonker in 't gemoet:
- Vrouw-Moeder! (sprak hij:) laat mij door!
Wat wil dat kindelijn?
Dat kind is tòch het mijne niet,
Dat moet een Basterd zijn! -
En langs de trappen vloog hij voort
En vloog de gangen rond,
Totdat hij, op de tin van 't slot,
De schoone Aleide vond.
Zij groette bevend haren Heer;
Hij sprak geen enkel woord,
Maar trok zijn slagzwaard uit de scheê,
En sleept haar met zich voort...