II.
Vergeefs.
Een wijngaard-rank met menig tros,
Al zijn de druifjes nog wat ros,
Omkruipt de traliês van mijn raam
En bindt de spijltjes zaâm.
De traliês zijn uit ouden tijd,
Zij zijn al menig spijltje kwijt,
Daar is wel ruimte voor een' brief
Al van mijn' zoetelief.
'k Zit 's morgens vroeg en 's avonds laat...
De bode komt wel langs de straat,
Maar, òf hij tikt bij iedereen',
Mij, Arme, brengt hij geen'.
De druifjes werden wit en blaauw,
Het meisje keek al even naauw; -
Het meisje, dat al schreide en bad,
Vergééfs voor 't venster zat.
De blaadjes geelden na en voor:
Daar komt een brief de spijltjes door...
Maar 't was niet van haar Liefstes hand,
En rouwzwart was de rand.