II.
Het dochterken zag wel zijn' droeven groet,
Zij weende van bittre smarte:
'Och, vader! al is hij zoo hoog niet van bloed,
Hij is er toch hoog van harte!’
'“En is er de ruiter van harte hoog
Zijn leven moet hij dies laten,
Dat hij niet wat lager liet vallen zijn oog
Op dochterkens van soldaten!”’
Zij nam toen een keten van paarlen hel,
Zij nam toen haar zilvren spangen,
De wachter die liet haar zoo heimelijk wel
Waar 't ruiterken zat gevangen.