III.
'Mijn Liefste! wat zijt ge zoo droef gevat,
En zult ge voor mij nu sterven?
Dan wil ik u zeggen hoe lief ik u had,
En kussen u menigwerven!’
De ruiter dan kuste haar lipjes zoet
En kuste haar blanke handen:
- Nu geef ik gewillig mijn leven en bloed,
Maar nimmer in boei of schanden! -
Hij sprong uit den toren en stortte neêr,
En liet er zijn jeugdig leven!
De Koning dien deed aan zijn harte het zeer:
'“Och! had ik mijn kind hem gegeven!”’