II.
Bij 't keeren.
Mijn Lief gaf, toen ik henen ging,
Me een' ring
Van louter goud, met hair omwonden;
En 'k draag dien aan een zijden koord
Gebonden
Op 't hart... waar hij behoort.
En in dat ringsken zit een kracht
En magt,
Waardoor mijn geest zich voelt getrokken,
Als had mijn Lief me, met de vlecht,
Dier lokken,
Voor vast aan zich gehecht.
'k Heb vrij wat leeds al op mijn pad
Gehad
En vrij wat liefs er al ontvangen;
Maar lief en leed, maar zoet of zuur
Blijft hangen,
Noch boeit mij op den duur.
Naar huis!... dáár wacht een minlijk hart
Met smart
Het uur, dat mij terug zal voeren;
Opdat nog heil'ger band ons zou
Omsnoeren: -
De ring van Echte Trouw.