III.
Bij 't ontwaken.
Zonneschijntje, morgenlicht,
Als ge tintelt op de ramen
En weêr blinkt in ons gezigt,
Vouwen wij de handen zamen
En wij danken, met ontzag,
Voor dien nieuwen, schoonen dag.
Zie! wij leggen 's avonds 't hoofd
Altijd maar zoo rustig neder,
Alsof iedereen gelooft:
Morgen komt het zonlicht weder! -
Niemand onzer denkt er aan,
Dat ge ook eens niet op kondt staan.
Niemand mooglijk heeft gedacht,
Dat, zoo gij al weêr mogt komen,
Ons misschien geen morgen wacht
Na ons slapen, uit ons droomen....
Daarom, schoone morgengloed,
Wees met blijden dank gegroet.