II.
Ochtenddank.
Wij, kindren, knielen dankend neêr,
En loven U, o Lieve Heer!
Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.
Uw hand maakte onze peluw zacht,
Uwe Englen waakten heel den nacht,
Dat ons geen onheil mogt genaken;
En thans geeft Gij ons nieuwe kracht: -
o Vader! U zij dank gebragt!