Sonet.
Med goedt recht magh-men v altijds wel saligh noemen
O geluckigen dach die mijn siele verfraeydt
Hebt, Die seer langen tijdt nu had' geweest ontpaeydt.
Gelijc de Noorden windt ver-welken doet de bloemen,
Al-soo quam met gheweldt mijn ionge ieugdt verdoemen,
De droefheyd, deur den anxt die alle vreugd af-maeydt,
Deur t'deruendes gesichts dat van droefheid ontlaeydt
Al die heur schoonheydt sien (dies sy heur mag be-roemen)
Op desen dag quam my (o geluc-salighe ure!)
In de stadt in tgemoet d'Engelslijcke figure
Med een hiuke op heur hoofd, gelijc een borgers vrouwe
Ver-blijdt, beduelmt, verbaest nam ic heur med der handt
Heur eerbaer wesen goedt, heur woorden, heur verstandt
Verfraeyden mijnen geest, en braken mijnen rouwe.